Samenvatting
Artikel 9ter, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet houdt duidelijk twee mogelijkheden in wat betreft de ziekte voorgelegd door betrokkenen, met name: de ziekte houdt een reëel risico in voor het leven of voor de fysieke integriteit, of de ziekte houdt een reëel risico in op onmenselijke of vernederende behandeling doordat er geen adequate behandeling beschikbaar is in het land van herkomst of het land van verblijf.
De omstandigheid dat er in het land van herkomst of verblijf geen adequate behandeling aanwezig is voor de betrokken ziekte of aandoening kan dus ook aanleiding geven tot het verlenen van een machtiging tot verblijf om medische redenen.
In de bestreden beslissing wordt geen bijkomend onderzoek gevoerd. De arts-adviseur is niet nagegaan of de ziekte van verzoekster een reëel risico inhoudt op onmenselijke of vernederende behandeling doordat er geen adequate behandeling beschikbaar is in het land van herkomst. De mogelijkheden en toegankelijkheid van de behandeling in het land van herkomst werden niet onderzocht.
De duidelijke bewoordingen van artikel 9ter, § 1, eerste lid, laten geenszins toe te besluiten dat de tweede mogelijkheid, zijnde een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling door een gebrek aan adequate behandeling in het land van herkomst, afhankelijk is van de eerste mogelijkheid, met name een reëel risico voor het leven of de fysieke integriteit van betrokkene. (RVS 19 juni 2013, nr. 223.961). Los van de beoordeling Van het risico op zelfdoding, het feit dat betrokkene kan reizen en geen nood zou hebben aan mantelzorg, wordt door de arts-adviseur niet betwist dat verzoeker sedert 2007 gevolgd en behandeld wordt voor chronisch psychisch lijden, dat depressieve klachten worden beschreven evenals een PTSD en dat de betrokkene hiervoor drie verschillende soorten medicatie neemt. In die optiek is het verre van duidelijk waarom hij, louter op grond van hel feit dal er geen acute ernstige periode is geweest betoogt dat er geen actuele aandoening blijkt temeer nu, het weze herhaald, verzoeker inderdaad blijkens de medische attesten wordt opgevolgd door psychiaters en hij ook een medicamenteuze behandeling krijgt. Het gegeven dat niet werd nagegaan of de aangehaalde medische aandoeningen Van verzoeker een reëel risico inhouden op onmenselijke of vernederende behandeling doordat er geen adequate behandeling beschikbaar is in het land van herkomst is aldus strijdig met het hierboven vermelde artikel 9ter, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet dat dit aspect expliciet voorziet.
De hoge drempel voorzien in de aangehaalde rechtspraak van het EHRM - d.w.z. de aandoening dient levensbedreigend te zijn gezien de kritieke gezondheidstoestand of het dient te gaan om een zeer gevorderd stadium van de ziekte – is niet bepalend bij de toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet, aangezien dit geen afbreuk kan doen aan een duidelijke wetsbepaling die twee verschillende situaties beoogt. De omstandigheid dat artikel 3 van het EVRM als hogere norm ten aanzien van de Vreemdelingenwet geldt en mogelijkerwijze een lagere vorm van bescherming voorziet, vormt geen beletsel voor de toepassing van artikel 9ter, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet, zoals hierboven beschreven. Het EVRM bevat immers minimumnormen en belet geenszins een ruimere bescherming in de interne wetgeving, wat in casu blijkt uit artikel 9ter, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet.
De verwerende partij vermag niet aan een duidelijke wetsbepaling een beperktere interpretatie geven op grond van hogere rechtsnormen. (RvS 19 juni 2013. nr. 223.961)