Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11.356 - 19-05-2008

Samenvatting

De rechtbank van eerste aanleg oordeelde bij vonnis van 12 februari 2008 dat de weigering van erkenning van het huwelijk door de ambtenaar van Burgerlijke stand ongegrond was en beval de overschrijving van de huwelijksakte in het bevolkings- en vreemdelingenregister. De feitelijkheden die verzoekster aanhaalt zijn duidelijk gebaseerd op dit vonnis. Dit vonnis werd echter genomen na de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten. Gezien de Dienst Vreemdelingenzaken de bevoegdheid heeft om in het kader van de beoordeling van de vestigingsaanvraag over te gaan tot de al dan niet erkenning van de huwelijksakte en de Dienst Vreemdelingenzaken volgens artikel 42 van de Vreemdelingenwet uiterlijk binnen de 6 maanden na de aanvraag moet beslissen over de afgifte van de verblijfsvergunning, is het niet onzorgvuldig of kennelijk onredelijk om de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg niet af te wachten en op grond van de gegevens waarvan de Dienst Vreemdelingenzaken reeds kennis had de huwelijksakte al dan niet te erkennen. Evenmin is het kennelijk onredelijk om de vestiging te weigeren, op grond van een niet erkenning van de huwelijksakte. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg kan daarentegen, gelet op het declaratieve karakter, een grond zijn om een nieuwe vestigingsaanvraag in te dienen. Daar waar verzoekster stelt dat alhoewel het vonnis slechts na de beslissing inzake de weigering van de vestigingsaanvraag van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken werd genomen, dit niet wegneemt dat dit vonnis voor de Raad ten gronde zou mogen in ogenschouw genomen worden om de weigering van de vestiging te beoordelen, stelt de Raad vast dat hij bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel kan nagaan of de minister bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet kennelijk onrede