Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 119.223 - 20-02-2014

Samenvatting

Concluderend kan men stellen dat de door de verzoeker voorgelegde attesten duidelijk aangeven dat verzoeker als gevolg van zijn PTSS en voorafgaandelijk aan de therapie van de laatste jaren, ernstige problemen had bij het afleggen van een interview en dat deze attesten stellen dat verzoeker door de therapie van de laatste jaren wel in staat moet zijn dit interview nu af te leggen. Het is hierbij niet onmogelijk dat deze problematiek voor het afleggen van interviews niet enkel betrekking had op diens aangevoerde vervolgingsverleden als kindsoldaat, maar eveneens een invloed heeft gehad op diens vermogen te antwoorden op vragen aangaande zijn herkomst. De in de eerste procédure genomen weigeringsbeslissing, zoals bevestigd door de Raad, was grotendeels gebaseerd op de ongeloofwaardige verklaringen ten aanzien van diens afkomst waaruit de ongeloofwaardigheid van het voorgehouden lijden als kindsoldaat werd afgeleid. Door verzoeker naar aanleiding van diens tweede asielaanvraag de kans te ontnemen opnieuw gehoord te worden omtrent diens herkomst en vervolgingsrelaas, nu hij daartoe volgens de voorgelegde degelijk onderbouwde medische stukken wel in staat is, en op die wijze te stellen dat verzoeker geen elementen heeft voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat hij in aanmerking komt voor internationale bescherming, heeft verweerder onredelijk gehandeld. Een schending van het redelijkheidsbeginsel wordt aangenomen, wat tôt de vernietiging van de eerste bestreden beslissing leidt. 

Meer info