Samenvatting
Artikel 19, § 1 van de vreemdelingenwet bepaalt niet uitdrukkelijk aan wie de bevoegdheid toekomt inzake beslissingen met betrekking tot het recht op terugkeer van een vreemdeling die over een geldig "verblijfs- of vestigingsvergunning beschikt. Uit het bepaalde in artikel 19, § 4 van de vreemdelingenwet dat onder voorbehoud van de toepassing van § 1, tweede lid, de minister of zijn gemachtigde verplicht [is] tot terugname van een vreemdeling en van zijn gezinsleden", blijkt evenwel onrechtstreeks dat ook de bevoegdheid voor het treffen van beslissingen in toepassing van artikel 19, § 1 van de vreemdelingenwet toekomt aan de "minister of zijn gemachtigde, d.i. thans de staatssecretaris of de gemachtigde van de staatssecretaris. De artikelen 35 en 39 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 voorzien geen bevoegdheidsregeling ter zake. De bestreden beslissing houdt een beoordeling in van het recht op terugkeer van de verzoeker die van ambtswege geschrapt werd uit het gemeenteregister en die zich al dan niet meer dan twaalf maanden in het buitenland bevond. Aldus wordt vastgesteld dat de wetgever de bevoegdheid voor het treffen van beslissingen inzake het recht op terugkeer, bepaald in artikel 19 van de vreemdelingenwet, heeft toevertrouwd aan de minister c.q. staatssecretaris of zijn gemachtigde. Er is derhalve een wettelijke grondslag die bepaalt dat de bevoegdheid voor het treffen van de in casu bestreden beslissing aan de gemachtigde van de minister c.q. staatssecretaris toekomt.
Het is thans dan ook buiten betwisting dat de bestreden beslissing werd genomen in toepassing van artikel 19, §1 van de vreemdelingenwet. De bestreden beslissing vermeldt tevens als juridische grondslag de artikelen 35 en 39 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981. De Raad stelt vast dat noch artikel 6 van het delegatiebesluit, noch enige andere bepaling van dit besluit zoals het van toepassing was op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing verwijst naar een bepaling van de vreemdelingenwet of, daargelaten de vraag of een wettelijk toegekende bevoegdheid mag gedelegeerd worden via een koninklijk besluit, een bepaling van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 op grond waarvan kan worden besloten dat een attache van de Dienst Vreemdelingenzaken bevoegd zou zijn om de bestreden beslissing te treffen als gedelegeerde van de minister c.q. staatssecretaris. Het betoog van de verwerende partij waar zij erop wijst erop dat artikel 19 ven de Vreemdelingenwet wel degelijk opgenomen is in het delegatiebesluit kan gelet op voorgaande bespreking niet overtuigen om aan te nemen dat een attaché van de Dienst Vreemdelingenzaken bevoegd zou zijn om de thans bestreden beslissing te treffen.