Samenvatting
Los van de vaststelling dat de weigering van de huwelijksvoltrekking niet op 17 juni 2013 maar op 17 juli 2013 plaats vond, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker en zijn partner wei degelijk het in artikel 167, zesde lid van het Burgerlijk Wetboek voorziene beroep instelden tegen de weigering van de huwelijksvoltrekking door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Oostende en dat bovendien deze weigeringsbeslissing op 5 maart 2014 werd verbroken. Er is in casu dan ook geen sprake van een beslissing die kracht van gewijsde heelt verkregen zoals bedoeld in artikel 40bis, §2, f) van de vreemdelingenwet. De verzoeker toont aldus aan dat de eerste bestreden beslissing niet uitgaat van correcte en pertinente gegevens. De schending van de materiele motiveringsplicht is dan ook aangetoond. De Raad wijst er tevens op dat het aan de gemachtigde toekomt om zich bij het nemen van een weigeringsbeslissing op grond van artikel 40bis, §2, f) van de vreemdelingenwet te vergewissen van de juiste gegevens betreffende de weigering van de huwelijksvoltrekking. De gemachtigde behoorde te weten dat tegen daze weigeringsbeslissing een beroep kan worden ingediend binnen de maand na de kennisgeving ervan. Het is dan ook aan de gemachtigde om zich hieromtrent te informeren. Het is dan ook aan de gemachtigde om zich hieromtrent te informeren. Te dezen blijkt dat de gemachtigde niet heeft onderzocht of de verzoeker en zijn partner binnen de voorziene beroepstermijn zich in rechte hebben voorzien tegen de weigering van de huwelijksvoltrekking van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het gegeven dat de gemachtigde in het kader van de aanvraag tot afgifte van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie aan een vervaltermijn is gebonden doet, zoals de verzoeker ter terechtzitting opmerkt, geen afbreuk aan de bij artikel 40bis, §2, f) van de vreemdelingenwet bepaalde voorwaarde dat de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand kracht van gewijsde moet hebben hetgeen betekent dat er geen beroep is tegen ingediend zoals voorzien In artikel 167, zesde lid van het Burgerlijk Wetboek (GwH 12112013, B.8.3.2.) of dat dit beroep is verworpen. Een schending van de zorgvuldigheidsplicht is aangetoond.