Samenvatting
Opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingewilligd, moeten drie voorwaarden cumulatief vervuld zijn.
Met betrekking tot de eerste voorwaarde, het uiterst dringende karakter, stelt de Raad vast dat, samen met de bestreden beslissing werd besloten verzoeker vast te houden in een welbepaalde plaats (bijlage 39bis), in toepassing van artikel 74/6; §1bis, 9° van de vreemdelingenwet. Aldus valt verzoeker onder de toepassing van artikel 52/3 §2 van de vreemdelingenwet, volgens welk onmiddellijk bij het indienen van de asielaanvraag een bevel om het grondgebied te verlaten moet worden afgegeven. Op de vraag ter terechtzitting aan de verwerende partij of zij zich voorneemt om, na een eventuele afwijzing van de thans lopende asielaanvraag, nogmaals een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven dan wel of zij het thans bestreden bevel meteen ten uitvoer zal brengen, kon geen eenduidig antwoord worden gegeven. In de huidige stand van het geding kan dan ook niet worden uitgesloten dat de verwijdering zal geschieden op basis van het thans bestreden bevel, zodat, indien thans zou worden besloten dat de zaak niet hoogdringend is omdat de tenuitvoerlegging van het bevel voor de duur van het asielonderzoek tijdelijk opgeschort is, zij na afloop van dit onderzoek niet langer op nuttige wijze een vordering bij hoogdringendheid zal kunnen indienen aangezien de bij artikel 39/57, §1, derde lid van de vreemdelingenwet gestelde termijn op dat ogenblik verstreken zal zijn. In die omstandigheden zou een dergelijke interpretatie van deze voorwaarde ertoe leiden dat verzoeker zich verstoken ziet van een daadwerkelijk rechtsmiddel, in het bijzonder waar hij in zijn eerste middel de schending aanvoert van artikel 8 van het EVRM. In de huidige stand van het geding moet dan ook worden aanvaard dat verzoeker op genoegzame wijze de uiterst dringende noodzakelijkheid aantoont.
Met betrekking tot de tweede voorwaarde, de ernst van de aangevoerde middelen, stelt de Raad vast dat, daargelaten de vraag of het bevel op grond van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet een motivering diende te bevatten met betrekking tot een eventuele schending van verzoekers gezinsleven, uit de stukken waarvan de Raad vermag kennis te nemen niet blijkt dat de verwerende partij zich op enig ogenblik heeft vergewist van het bestaan van een gezinsleven in hoofde van verzoeker, zoals nochtans wordt vereist door het genoemde artikel 74/13. Zo wordt in de synthesenota van 14 november 2014, datum waarop de bestreden beslissing werd genomen, onder “motief”, de ruimte blanco gelaten. De motivering van de bestreden beslissing is bovendien zonder meer verkeerd, waar wordt gesteld dat met betrekking tot de “elementen die [verzoeker] aangehaald [heeft] in het kader van andere verblijfprocedures kan gesteld worden dat deze verblijfsprocedures allen werden afgewezen en er geen schending van artikel 3 EVRM werd aangetoond; De betrokkene diende een verzoeker tot machtiging tot verblijf overeenkomstig artikel 9 bis in dat op 18/02/2012 geweigerd werd door de Dienst Vreemdelingenzaken.” Uit de debatten is immers gebleken dat de aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, d.d. 9 april 2014, nog steeds hangende is. Uit de voorgelegde stukken blijkt duidelijk dat in die aanvraag specifieke elementen met betrekking tot het gezinsleven werden aangevoerd. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt niet dat deze aanvraag, of minstens de daarin voorgelegde elementen van gezinsleven, op enige wijze werden onderzocht. Evenmin werd verzoeker gehoord, noch blijkt uit enig ander stuk uit het administratief dossier dat bij het nemen van de verwijderingsmaatregel rekening werd gehouden met het gezins- en familieleven van verzoeker.
Er wordt bijgevolg aannemelijk gemaakt dat de thans aangereikte informatie, waarmee de gemachtigde krachtens artikel 74/13 van de vreemdelingenwet rekening had moeten houden, van aard is dat zij mogelijks had kunnen leiden tot een andere beslissing of tot het uitblijven ervan. Het niet horen van verzoeker heeft, gelet op alle feitelijke en juridische omstandigheden van het geval, in casu dan ook daadwerkelijk de verzoeker de mogelijkheid ontnomen om zich zodanig te verweren dat deze besluitvorming inzake het afleveren van een bevel om het grondgebied te verlaten en het inreisverbod een andere afloop had kunnen hebben.
Een schending van het hoorrecht als algemeen beginsel van Unierecht in samenhang met een schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet wordt aannemelijk gemaakt. Het middel is in die mate ernstig.
Met betrekking tot de derde voorwaarde, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, stelt de Raad dat deze voorwaarde naar luidt van artikel 39/82, §2 van de vreemdelingenwet wordt geacht vervuld te zijn wanneer een ernstig middel wordt gesteund op een grondrecht. Gelet op het ernstig bevinden van het middel dat gerelateerd is aan artikel 8 van het EVRM, is dit te dezen het geval.