Samenvatting
De verzoeker voert aan dat de gemachtigde in de voorliggende zaak geen daadwerkelijk en concreet onderzoek heeft doorgevoerd in de zin van artikel 42, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet. De verzoeker betoogt dat een simpele verwijzing naar algemene (statistische) gegevens zoals de armoederisicogrens die voor een koppel 1500 euro zou bedragen en naar op geen enkele wijze begrootte of gepreciseerde “maandelijkse vaste kosten, variabele kosten van het op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overhedendagdagelijkse leven” niet volstaat teneinde te kunnen besluiten tot de weigering van de gezinshereniging op basis van artikel 40ter van de vreemdelingenwet. De verzoeker geeft tevens aan dat de gemachtigde ter zake slechts een stijlformule hanteert die zonder meer in elke weigeringsbeslissing kan worden ingeschreven van zodra het referentiebedrag niet wordt bereikt, en herhaalt dat het oordeel van de gemachtigde niet is gebaseerd op enig individueel onderzoek. De Raad kan de verzoeker hierin volgen.
In de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de armoederisicogrens voor een koppel 1500 euro bedraagt en dat het in aanmerking genomen inkomen van de Belgische referentiepersoon (in casu een maandelijks recurrent inkomen van 1.090,36 euro, zo blijkt uit de samenlezing van de verschillende vaststellingen in de bestreden beslissing) hieronder ligt. De gemachtigde stelt verder dat dit inkomen “rekening houdend met de maandelijkse vaste kosten, de variabele kosten van het dagelijkse leven, en het feit dat betrokkene eveneens van dit inkomen moet kunnen leven” veel te laag ligt om een minimum aan waardigheid voor zowel de Belgische referentiepersoon en de verzoeker te garanderen, zodat zij beiden het risico lopen om ten laste te vallen van het Belgische sociale bijstandsstelsel.
Hetgeen zodoende in de bestreden beslissing wordt naar voor geschoven als een “behoefteanalyse”, kan echter niet worden beschouwd als een zorgvuldig uitgevoerde behoefteanalyse overeenkomstig artikel 42, § 1, tweede lid van de vreemdelingenwet. De Raad merkt op dat ter zake geen enkele concrete beoordeling voorligt waarbij, “op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden” wordt bepaald welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden”, zoals voorzien in artikel 42, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet.
De gemachtigde beperkt zich tot geheel abstracte noties en vage termen, met name “de maandelijkse vaste kosten” en “de variabele kosten van het dagelijkse leven”, zonder dat uit de bestreden beslissing of uit de stukken van het administratief dossier op enige wijze kan blijken welke kosten de gemachtigde hier precies voor ogen heeft en hoeveel deze kosten voor de verzoekers dan wel zouden bedragen. Nog minder worden enige concrete kosten afgewogen tegenover het maandelijkse inkomen van de Belgische referentiepersoon om te beoordelen of er al dan niet, in de concrete omstandigheden van het geval van de verzoeker en zijn partner, daadwerkelijk een risico is dat zij ten laste zullen vallen van de Belgische sociale bijstand.
Waar in casu wordt verwezen naar de armoederisicogrens die voor een koppel 1500 euro bedraagt, wijst de Raad er op dat het bij artikel 40ter van de vreemdelingenwet bepaalde referentiebedrag van honderdtwintig procent van het leefloon lager ligt dan 1500 euro. De overwegingen aangaande de armoederisicogrens voor een koppel kunnen dan ook in alle gevallen waarbij niet voldaan is aan het genoemde referentiebedrag worden gehanteerd. Een dergelijke toetsing aan een bedrag dat nog hoger ligt dan het bedrag dat wettelijk wordt aanzien als “toereikende bestaansmiddelen” die de gezinshereniging toelaten, is dan ook manifest in strijd met de artikelen 40ter en 42, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet en zij gaat volledig in tegen de wil van de wetgever, zoals geduid door het Grondwettelijk Hof.