Samenvatting
Verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift naar de latere indiening van haar paspoort, naar aanleiding van haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Haar paspoort is bijgevolg ingediend vóór de bestreden beslissing werd genomen en "in casu (had) de overheid kennis (.. .) van een identiteitsdocument op het ogenblik dat deze heeft geoordeeld over de ontvankeiijkheid". De ministeriële omzendbrief van 21 juni 2007 betreffende de wijziging in de reglementering betreffende het verblijf van vreemdelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006 stelt dat een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsmachtiging "alle relevante persoonsgegevens aangaande de aanvrager (naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, nationaliteit, burgerlijke stand) met kopie van identiteitsdocumenten van de aanvrager of motivering waarom de aanvrager deze niet kan leveren", dient te bevatten. Waar verzoekende partij aldus stelt dat zij ongeveer acht maanden later haar paspoort heeft ingediend naar aanleiding van haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, en dat het bestuur bijgevolg kennis had van haar identiteitsdocument op het ogenblik van de beslissing, dient te worden opgemerkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft voorzien in welke gevallen niet dient voldaan te worden aan de vereiste dat een identiteitsdocument moet overgelegd worden in het kader van een aanvraag overeenkomstig artikel 9bis §1, tweede lid van de Vreemdelingenwet en dat de door verzoekende partij aangegeven situatie niet onder deze uitzonderingsbepalingen valt. Bovendien wordt erop gewezen dat verzoekende partij niet toelicht hoe de gemachtigde van de minister, gelet op het risico van identiteitsusurpatie, met zekerheid kan weten of de persoon die een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9bis heeft ingediend tevens de persoon is die acht maanden l