Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 272.489 - 10-05-2022

Samenvatting

In het verzoekschrift verwijst verzoeker vooreerst, om te staven dat hij nog steeds actief is op religieus vlak, naar de getuigenis van dominee W.B. van 29 oktober 2021, waarin gesteld wordt dat deze verzoeker elke donderdag en zondag online ziet voor de Bijbelstudie en de eredienst. In zijn verklaring van 30 oktober 2021 bevestigt deze dominee dit. In een commentaar van 30 oktober 2021 bij een screenshot van een onlineviering bevestigt deze dat verzoeker wekelijks aanwezig was.
Vooreerst wijst de Raad erop dat stuk 5 bij het verzoekschrift (getuigenverklaring W.B. van 30 oktober 2021) dat een datum vermeldt van na de bestreden beslissing genomen op 29 september 2021, reeds ongedateerd werd voorgelegd bij het CGVS op 11 mei 2021 (administratief dossier, stuk 6 en 6b), map met documenten, stuk 24) en besproken in de bestreden beslissing. De commissaris-generaal stelt over dit stuk het volgende:
“Hierbij kan nog opgemerkt worden dat ook betreffende de brief van W. B. die u neerlegde in het kader van uw verzoek en waar in hij verklaarde dat u nog naar de kerk gaat, ernstige twijfels rijzen (document 24 in uw administratieve dossier). Het is immers erg bevreemdend dat deze brief doorspekt is met schrijf- en zinsconstructiefouten. Dit staat immers in fel contrast met de brief die W. B. schreef in het kader van de heroverweging van het statuut van uw echtgenote, die in perfect Nederlands was opgesteld (document 19 in uw administratieve dossier). Bovendien betreft het slechts een kopie en is de handtekening van ondertekende een exact kopie van de handtekening zoals die onder de brief van uw echtgenote staat. Deze vaststellingen halen de authenticiteit van de door u neergelegde brief onderuit.”
De Raad kan enkel vaststellen dat de getuigenis met als datum 30 oktober 2021 bij het verzoekschrift wordt gevoegd als stuk 5, identiek dezelfde brief betreft als deze die reeds werd ingediend op 11 mei 2021 bij het CGVS, ditmaal met een datum erop vermeld. De Raad sluit zich erbij aan dat de authenticiteit van deze brief niet vaststaat. De datum van 30 oktober 2021 strookt niet met de werkelijkheid, gezien dit stuk reeds werd voorgelegd aan het CGVS op 11 mei 2021. Daarnaast is deze brief inderdaad doorspekt met schrijffouten en fouten in de zinsconstructie, terwijl een andere ongedateerde brief van deze persoon (administratief dossier, stuk 6 en 6 b), map met documenten, stuk 19) wel in perfect Nederlands is opgesteld, net als vroegere brieven van 16 september 2014 en 27 juli 2015 van dezelfde W.B. (administratief dossier, stuk 6 + 6b), map met documenten, stuk 10). Bovendien blijkt inderdaad dat de handtekening een exacte kopie is van de handtekening op deze ongedateerde brief. Bijgevolg hecht de Raad geen geloof aan de inhoud van deze brief van 30 oktober 2021 en kan verzoeker zich hierop niet beroepen om aan te tonen dat hij online erediensten en Bijbelstudie volgt.
Stuk 6 bij het verzoekschrift betreft een handgeschreven verklaring van 30 oktober 2021 bij een ongedateerd screenshot waarop verzoeker te zien is en ook W.B. Ook in deze tekst zijn schrijffouten en taalfouten terug te vinden die niet stroken met de brief in perfect Nederlands van W.B. die zich in het administratief dossier bevindt (administratief dossier, stuk 6 en 6b), map met documenten, stuk 19). Bovendien stemt de handtekening van W.B. onder de handgeschreven tekst niet overeen met de handtekening van W.B. op het stuk dat zich in het administratief dossier bevindt. Ook aan deze handgeschreven verklaring hecht de Raad geen geloof.
Verzoeker wijst er in het verzoekschrift op dat hij sinds 2017 minder tijd had dan daarvoor om de wekelijkse erediensten en Bijbelstudies bij te wonen. Hij verwijst naar de getuigenverklaring van W.B. van 30 oktober 2021, die echter om de hierboven vermelde redenen niet kan worden aangenomen. Hij verwijst tevens naar het feit dat zijn echtgenote sinds de coronalockdown minder actief was dan hij, maar de Raad begrijpt niet hoe het verwijzen naar de mindere activiteiten van zijn echtgenote, het religieus engagement van verzoeker zelf zou aantonen.
Inzake het motief over de online dienst van 2 mei 2021 legt verzoeker in het verzoekschrift uit dat hij de online dienst van Wezembeek-Oppem volgde, die onder meer geleid werd door Julie, de online diensten van VEG Paulus te Genk worden onder meer door de genaamde Marianne geleid. Dit strookt met verzoekers verklaringen op p. 10 van de notities van het persoonlijk onderhoud, waar verzoeker stelt “Sinds onze aankomst in BE zijn wij altijd bij deze kerkgemeenschap aangesloten geweest, ook ons doopsel werd door W. zelf uitgevoerd en ook die 9 personen tegen wie ik predikte zijn daar gedoopt. Brief gestuurd ikv dossier van uw vrouw waarin hij zegt dat hij inmiddels bij een ander gemeenschap is? W. is ondertussen van Genk verhuisd naar Brussel, misschien dat hij, dat bedoelde. Maar hij is wel nog steeds verbonden aan de Paulus kerk? Ja hij is pastoor dus ik, ja, een pastoor is toch overal een pastoor. Hij is nog altijd de pastoor die op regelmatige de vieringen van de kerkgemeenschap Paulus leidt? Hij heeft nog altijd de Bijbelstudie en hij doet nog altijd de redevoeringen op zondag in samenwerking met Julie uiteraard, maar ja, nog altijd”. Verzoeker geeft inderdaad niet de naam van de kerkgemeenschap in Brussel, maar uit de documenten die verzoeker heeft voorgelegd (administratief dossier, stuk 6 en 6b), map met documenten, stuk 17, screenshots whatsapp videocalls) is te zien dat verzoeker een online dienst volgde, geleid door Julie, waar ook dominee W.B. aan deelnam en die georganiseerd werd door de Eglise Baptiste Protestante LA PAROLE VIVANTE de Wezembeek et Kraainem (Bruxelles Périphérie). Verzoekers afgelegde verklaringen in dit verband lijken dus met de werkelijkheid te stroken.
Op p. 7 van de notities van het persoonlijk onderhoud valt het volgende te lezen: “Heeft u de voorbije zondag, 2 mei, de viering online gevolgd? Ja, ik neem altijd deel, alle zondagen en alle donderdagen neem ik deel aan de Bijbelstudie. Wie heeft de viering van voorbije zondag geleid? Wij hebben drie kerkverantwoordelijken, onze kerkgemeenschap is zowel NL talig als Franstalig en Engelstalig dus voor de NL-talige groep hebben we 2 verantwoordelijken William en Julie en dan is er nog een Afrikaanse die verantwoordelijk is voor FR en EN groep, en die heet Julie. De viering van laatste zondag, wie heeft geleid? Dus afgelopen zondag was het Julie. Een vrouw? Ja. Want W. en zijn echtgenote waren met verlof. Maar gisteren was de Bijbelstudie door W. Was er behalve Julie nog iemand anders die gesproken heeft in de kerk? Ja? Julis. Volgt u de NL-talige dienst? Nederlandstalig ik volg geen frans wanneer er in het Frans of Engels gesproken wordt, wordt dat vertaald naar het NL door Julie net zoals de tolk nu aan het vertalen is. Maar als W. de dienst leidt, dan is het enkel in het NL.” De Raad stelt vast dat het niet uit te sluiten is dat verzoeker inderdaad de kerkgemeenschap in Brussel bedoelt, gezien de vieringen er in het Nederlands, Frans en Engels plaatsvinden. Het gebruik van deze drie verschillende talen zou ook kunnen plaatsvinden in de kerkgemeenschap in Genk, maar dit lijkt minder waarschijnlijk dan in het tweetalige Brussel. Uit de documenten die verzoeker heeft voorgelegd (administratief dossier, stuk 6 en 6b), map met documenten, stuk 17, screenshots whatsapp videocalls) is te zien dat verzoeker een online dienst volgde, geleid door Julie waarbij vermeld wordt “NEDERLANDST…”.
Verzoeker verklaarde ook: “Aan welke kerkgemeenschap hier in BE bent u verbonden? Dus voor de corona lockdown ging ik naar de Paulus kerk in Genk. En sinds de lockdown, hoe beleeft u uw religie? Dus sinds de lockdown zijn ze overgeschakeld op online diensten. De diensten vinden nog altijd plaats op zondag (VZ onderbreekt) donderdag. De kerkdienst van half elf tot ongeveer 12 en donderdag hebben wij Bijbelstudie en dat is van 7 uur ’s avonds tot een uur of 8.” (notities persoonlijk onderhoud CGVS, p. 5). Hieruit blijkt inderdaad niet dat verzoeker verklaard heeft dat hij sinds de lockdown de online diensten bij een andere kerkgemeenschap volgt, maar uit zijn verklaringen op p. 10 blijkt wel dat hij zijn dominee W.B. zou gevolgd zijn, die verhuisd is naar Brussel. Uit de bestreden beslissing en uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat het CGVS enkel informatie is nagegaan over de kerkgemeenschap in Genk en niet over de kerkgemeenschap in Brussel, zodat niet kan worden nagegaan of verzoekers verklaringen over het regelmatig bijwonen van de (online) diensten in Brussel met de waarheid stroken. Het CGVS wist evenwel dat pastoor W.B. verhuisd is van Genk naar Brussel, gezien verzoeker dit heeft verklaard (notities persoonlijk onderhoud CGVS, p. 10) en zoals blijkt uit de ongedateerde brief van W.B. (administratief dossier, stuk 6 en 6b), map met documenten, stuk 19) die werd neergelegd in het kader van de heroverweging van het statuut van verzoekers echtgenote. Ook blijkt de naam van deze kerkgemeenschap en de naam van Julie uit de stukken die verzoeker heeft voorgelegd, zoals hierboven overwogen.
Anderzijds bevindt zich in het administratief dossier ook een getuigenverklaring van dominee W.B. aangaande verzoekers echtgenote en schoonzus (adm. dossier, stuk 6 en 6b) map met documenten, stuk 19), waarin deze vermeldt dat hij als zendeling van VIANOVA werkt en daarvoor jeugdpastor was bij de Vrije Evangelische Gemeente Paulus in Genk. In deze brief staat te lezen “In die tijd hebben wij een aantal asielzoekers geholpen met hun nieuwe geloof in Jezus. Ik heb een Bijbelstudie met hen gedaan voordat zij gedoopt werden.” “Door de jaren heen zijn deze mensen naar het werk, naar school, en naar een opleiding gegaan en werden ze door deze omstandigheden door het land verplaatst. Ik heb van één van deze contacten gehoord dat de Commissariaat-generaal een vraag had over hun bezoek aan hun zieke ouders. (…) Dus heb ik de volgende vragen gesteld in verdediging van S. en F. en hun bezoek aan hun ouders in Iran.” Hieruit blijkt dus dat deze W.B. verzoekers echtgenote en haar zus beschouwt als één van zijn contacten die hij indertijd geholpen heeft met hun nieuwe geloof en Bijbelstudie met hen heeft gedaan voor ze gedoopt werden.
Bijgevolg is het voor de Raad niet uit te maken of verzoeker nu wel of niet in het verleden en recent nog uiting geeft van een oprecht religieus engagement door het al dan niet regelmatig bijwonen van onlinevieringen bij de kerkgemeenschap in Brussel en of hij wel of niet na zijn doopsel nog religieuze contacten onderhoudt met dominee W.B.
Gezien de Raad dit zelf niet kan nagaan, kan in deze stand van het geding zonder verdere bijkomende onderzoeksmaatregelen niet met zekerheid gesteld worden dat verzoeker na de toekenning van zijn vluchtelingenstatuut, geen verdere geloofsactiviteiten meer ondernam in België. Dat verzoeker niet op de hoogte is van de christelijke kalender en dat dit zijn bewering zelf online bij deze feestelijkheden betrokken te zijn geweest, kan ondergraven, terwijl hij wel de betekenis van Pasen en van Hemelvaart kan uitleggen, volstaat volgens de Raad op zich niet om in deze stand van het geding te kunnen vaststellen dat verzoekers bekering niet oprecht is. Dat verzoekers echtgenote stelt dat de autoriteiten in Iran, waarnaar zij verschillende keren is teruggekeerd, niet op de hoogte zijn van haar bekering, brengt inderdaad mee dat de Iraanse autoriteiten mogelijk ook niet op de hoogte zijn van verzoekers bekering. Er kan in deze stand van het geding echter niet zonder meer gesteld worden dat er geen redenen zijn dat verzoeker zich bij een eventuele terugkeer naar Iran als christen zou manifesteren, waardoor hij alsnog problemen zou kunnen ondervinden, gezien op basis van de stukken van het dossier en de verklaringen van verzoeker samengenomen niet uit te maken valt of hij wel of geen religieuze activiteiten uitoefent en of zijn bekering al dan niet oprecht is.