Samenvatting
Verzoekster heeft bij haar visumaanvraag inderdaad een attest overgemaakt waaruit blijkt dat zij was ingeschreven om deel te nemen aan het toelatingsexamen voor de studie genees- en tandheelkunde georganiseerd door ARES. Zoals blijkt uit de bestreden beslissing en het administratief dossier, slaagde ze niet voor het toelatingsexamen waardoor ze zich evenmin kon inschrijven voor de studie genees- en tandheelkunde voor het academiejaar 2022-2023.
Volgens de Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wat betreft de studenten, waarbij artikel 60, §3, 3° van de Vreemdelingenwet werd ingevoerd, zal de student die een attest heeft voorgelegd dat bewijst dat hij is ingeschreven voor een toelatingsproef, een voorlopig verblijfsdocument ontvangen voor een maximale duur van vier maanden te rekenen vanaf de binnenkomst in België. Dit document strekt ertoe de student de nodige tijd te geven om deel te nemen aan de toelatingsproef en zich nadien in te schrijven aan de instelling voor hoger onderwijs om er voltijds hogere studies “of een voorbereidend jaar te volgen” (cf. Parl.St. Kamer 2020-2021, nr. 1980/001, 11-12). Het Wetsontwerp bepaalt verder dat de student een attest dient over te maken dat bewijst dat “hij ingeschreven is aan de instelling voor hoger onderwijs om voltijds hogere studies of een voorbereidend jaar te volgen, indien hij na deze termijn van vier maanden nog langer in België wenst te verblijven om er te studeren”.
Artikel 58, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet definieert het ‘voorbereidend jaar’ als volgt: “het unieke studiejaar, georganiseerd door de instelling voor hoger onderwijs, om een opleiding te volgen ter voorbereiding op de beoogde hogere studies, hetzij om de noodzakelijke aanvullende kennis te verschaffen om vervolgens toegang te kunnen verkrijgen tot de beoogde hogere studies, hetzij om één van de landstalen, die tevens de taal betreft waarin de beoogde studie wordt onderwezen, machtig te worden”.
Op 9 februari 2023 wordt verzoekster verzocht een definitief inschrijvingsbewijs voor te leggen voor de voorziene studie genees- en tandheelkunde. Verzoekster legt daarop een attest van de Universiteit van Namen voor dat stelt dat ze is ingeschreven “aux cours préparatoires au concours d’entrée 2023 en médecine organisés par l’Université de Namur”. Aldus blijkt dat verzoekster is ingeschreven voor een voorbereidende cursus, georganiseerd door de Universiteit van Namen, met het oog op het afleggen van het toelatingsexamen genees- en tandheelkunde voor 2023.
Verzoekster betoogt dat verweerder niet concreet motiveert waarom deze cursus geen opleiding vormt die verband houdt met de voorziene studie van medische wetenschappen en tandarts. Daarnaast betoogt verzoekster dat de cursus minstens moet worden gezien als een voorbereidend jaar op de beoogde studie genees- en tandheelkunde. Ze verwijst naar het uitdrukkelijke verband tussen de voorbereidende cursus, die haar voorbereidt op de toelatingsproef, en de beoogde studie, waar zij zonder slagen voor de toelatingsproef geen toegang toe zal hebben. De voorbereidende cursus zorgt ervoor dat ze over voldoende voorkennis beschikt die haar slaagkansen op de toelatingsproef zullen verhogen.
De Raad stelt, samen met verzoekster, vast dat verweerder geen redelijke afweging heeft gemaakt van alle relevante elementen in casu. In eerste instantie dient erop te worden gewezen dat verweerder van verzoekster vereist dat ze een definitief inschrijvingsbewijs voor de studie genees- en tandheelkunde voorlegt. Zoals verweerder zelf aangeeft in de bestreden beslissing, is verzoekster niet geslaagd voor het toelatingsexamen van 2022, waardoor zij geen toegang had tot de beoogde studie. Het slagen voor het toelatingsexamen is immers een vereiste om zich te kunnen inschrijven voor de studie genees- en tandheelkunde. Waar verweerder op 9 februari 2023 vereist dat verzoekster een inschrijvingsbewijs voor de studie genees- en tandheelkunde voorlegt, was hij zich er aldus van bewust dat verzoekster onmogelijk een dergelijk bewijs zou kunnen voorleggen. Dit komt de Raad allesbehalve redelijk noch zorgvuldig voor.
Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de wet waarbij artikel 60, §3, 3° van de Vreemdelingenwet werd ingevoerd, kan de student, na het afleggen van de toelatingsproef, verder in België verblijven indien hij aantoont ingeschreven te zijn aan een instelling voor hoger onderwijs om er voltijds hogere studies te volgen, doch ook indien hij er een voorbereidend jaar volgt. Uit nazicht van het administratief dossier blijkt dat verweerder van verzoekster vereist dat ze aantoont ingeschreven te zijn in een voltijdse hogere studie, namelijk genees- en tandheelkunde. Het één en ander komt de Raad weldegelijk onredelijk voor, nu verweerder zich er bewust van was dat verzoekster een dergelijk bewijs nooit zou kunnen leveren terwijl dit niet eens absoluut vereist is om verder tot een verblijf te kunnen worden gemachtigd. Immers bestaat er ook de mogelijkheid van het volgen van een voorbereidend jaar, waar verweerder geen rekening mee heeft gehouden.
Verweerder repliceert in zijn nota dat de voorbereidende cursus die verzoekster volgt niet voldoet aan de voorwaarden van de afgifte van het visum. Hij stelt dat het voorgelegde attest geen inschrijving inhoudt voor de voorziene studie, namelijk genees- en tandheelkunde. Het visum vermeldt echter ook uitdrukkelijk dat het wordt afgegeven om deel te kunnen nemen aan het toelatingsexamen georganiseerd door ARES. Verzoekster kan aldus in zekere zin worden gevolgd waar ze stelt dat het onduidelijk is waarom de voorbereidende cursus niet zou voldoen aan de voorwaarden van het visum. Het kan immers niet worden ontkend dat de voorbereidende cursus weldegelijk kadert in de deelname aan het toelatingsexamen georganiseerd door ARES. Het gegeven dat verweerder hier niet verder over motiveert in de bestreden beslissing, kan op zijn minst onzorgvuldig worden genoemd.
Concluderend kan worden opgemerkt dat verweerder voorbijgaat aan het feit dat verzoekster, na deelname aan het toelatingsexamen, niet verplicht is aan te tonen dat ze is ingeschreven in een voltijdse hogere studie, namelijk genees- en tandheelkunde. Verzoekster kan immers ook het bewijs leveren dat ze een voorbereidend jaar volgt ter voorbereiding op de studie genees- en tandheelkunde, om de noodzakelijke aanvullende kennis te verschaffen om vervolgens toegang te kunnen verkrijgen tot de beoogde hogere studies. Gezien verzoekster weldegelijk een bewijs levert dat ze is ingeschreven in een voorbereidende cursus met het oog op het afleggen van het toegangsexamen genees- en tandheelkunde, is het in het licht van artikel 60, §3, 3° van de Vreemdelingenwet op zijn minst onzorgvuldig om dit niet verder te onderzoeken vooraleer over te gaan tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten. Waar verzoekster aanvoert dat deze cursus moet worden gezien als een ‘voorbereidend jaar’ in de zin van artikel 58, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet, stelt de Raad vast dat dit nergens in de bestreden beslissing wordt onderzocht. Dit kan nochtans van een zorgvuldige overheid wel worden verwacht. Volledigheidshalve duidt de Raad er nogmaals op dat het onredelijk en disproportioneel is om wetens en willens van verzoekster een bewijs te verlangen dat ze onmogelijk zou kunnen voorleggen, namelijk een definitief inschrijvingsbewijs voor de studie genees- en tandheelkunde.