Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 305.474 - 24-04-2024

Samenvatting

In de bestreden beslissingen wordt het recht op verblijf van meer dan drie maanden geweigerd omwille van het feit dat het aspect ‘ten laste’ in België niet afdoende zou zijn aangetoond. Volgens de gemachtigde van de staatssecretaris zou de Italiaanse referentiepersoon niet over voldoende middelen van bestaan beschikken om te voorkomen ten laste te vallen van de sociale bijstand. In de beslissingen wordt hieromtrent het volgende overwogen: “Om als 'ten laste' te kunnen worden beschouwd dient er enerzijds reeds een afhankelijkheidsrelatie te bestaan tussen betrokkene en de referentiepersoon van in het land van herkomst of origine, anderzijds dient de referentiepersoon over voldoende bestaanmiddelen te beschikken om betrokkene in België verder ten laste te kunnen nemen.

Als bewijs van bestaansmiddelen van de referentiepersoon legt betrokkene volgende documenten voor:
(…)
Op basis van wat voorligt moet ertoe besloten worden dat mijnheer zijn gemiddeld inkomen per maand 2200,20 euro bedraagt (inclusief eindejaarspremie). Behoudens dit inkomen werd niets voorgelegd betreffende eventuele andere bestaansmiddelen waar de referentiepersoon bijkomend zou kunnen over beschikken. De beschikbare bestaansmiddelen bedragen dus 2200,20 euro per maand. Rekening houdend met de gezinslast van 4 volwassenen (betrokkene + de echtgenoot van betrokkene K.(…) M.(…) + de referentiepersoon + diens echtgenote) is dit niet voldoende. Overeenkomstig de barema's van het OCMW dient de referentiepersoon over 1673,65 euro voor een persoon met een gezin ten laste te beschikken + 825,61 euro voor elke volwassen persoon die samenwoont.”

De gemachtigde van de staatssecretaris bepaalt dus een richtbedrag conform de barema’s van het OCMW en stelt het volgende: “Dat zou dus willen zeggen dat de referent over minstens 3324,87 euro zou moeten beschikken om te kunnen voorkomen ten laste te vallen van de sociale bijstand” om naderhand te concluderen: “Kortom, het ten laste aspect in België is niet afdoende aangetoond. Het verblijfsrecht wordt geweigerd.”

Verzoekers tweede middelonderdeel komt in wezen neer op het volgende: de voorwaarden voor het recht op verblijf van meer dan drie maanden van derdelanders, die rechtstreekse bloedverwanten zijn in opgaande lijn van een burger van de Unie (niet-Belg), blijven conform artikel 40bis, §2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet beperkt tot het ‘ten laste’ zijn én het ‘zich voegen bij’ de referentiepersoon. Volgens verzoekers werd aangetoond dat de referentiepersoon regelmatig geld heeft overgemaakt waardoor bewezen is dat deze zijn ouders ten laste kan nemen. De gemachtigde van de staatssecretaris kan bij het beoordelen van deze voorwaarden geen barema’s aanwenden, die gekoppeld zijn aan het leefloon, ter evaluatie van de bestaansmiddelen van de referentiepersoon.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) stelt vast dat artikel 40bis, §2, eerste lid, 4°, van de vreemdelingenwet de omzetting vormt van artikel 7, tweede lid juncto artikel 2, tweede lid, onder d), van de richtlijn 2004/38/EU van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn 2004/38/EU). Deze bepalingen voorzien een verblijfrecht voor meer dan drie maanden voor rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn van burgers van de Unie die ten laste zijn. Noch de Belgische vreemdelingenwet, noch de Richtlijn 2004/38/EU bevatten een bestaansmiddelenvereiste of a fortiori de mogelijkheid om hierbij bepaalde richtbedragen te hanteren. De gemachtigde van de staatssecretaris voegt in zijn beslissingen voorwaarden toe die niet in de toepasselijke wetsbepaling kunnen worden gelezen.