Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 309.382 - 8-07-2024

Samenvatting

In casu wordt voor verzoeker op 28 februari 2023 een aanvraag ingediend bij het Vlaams gewest voor het bekomen van een gecombineerde vergunning. Verzoeker zou tewerkgesteld worden als ‘productie-operator voeding’ bij B. D. NV te Kuurne, een bedrijf dat werkzaam is in de voedingssector. Op 14 april 2023 wordt door het Vlaams gewest een toelating tot arbeid afgeleverd. Op 26 oktober 2023 weigert verweerder aan verzoeker een verblijfsmachtiging af te leveren omdat verzoeker in zijn aanvraag tot het bekomen van een gecombineerde vergunning valse of misleidende informatie heeft verstrekt. Verweerder stelt vast dat verzoeker in het kader van een eerdere visumaanvraag bij de Spaanse autoriteiten had aangegeven in 2019 tewerkgesteld te zijn als bedrijfsdirecteur in een schoenenbedrijf. Dit strookt niet met het CV dat verzoeker in het kader van zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning heeft voorgelegd en waarin wordt vermeld dat hij in de periode 2017 tot 2020 werkzaam was als ‘production operator’ bij een bedrijf werkzaam in de voedingssector. Verweerder maakt dan ook toepassing van artikel 74/20 van de Vreemdelingenwet om de aanvraag voor een gecombineerde vergunning te weigeren.

In de eerste plaats bekritiseert verzoeker dat hij omtrent de vastgestelde tegenstrijdigheid nooit werd gehoord. Hij voert aan dat hij in 2019 slechts kortstondig als bedrijfsdirecteur van een schoenenbedrijf heeft gewerkt. Hij heeft deze werkervaring niet op zijn CV vermeld omdat deze niet relevant is voor de aanvraag voor een gecombineerde vergunning in de voedingssector.

Het hoorrecht, zoals neergelegd in artikel 41 van het Handvest dat het recht op behoorlijk bestuur waarborgt, verzekert het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. De Raad wijst erop dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie het hoorrecht een algemeen beginsel van Unierecht vormt (cf. HvJ 22 november 2012, C-277/11, M.M., ro. 81-82). Het hoorrecht maakt tevens deel uit van de grondrechten die bestanddeel zijn van de rechtsorde van de Unie en die verankerd zijn in het Handvest. Dit hoorrecht dient niet enkel door de instellingen van de Unie te worden erkend, maar aangezien het een algemeen beginsel van het Unierecht betreft, ook door de overheidsinstanties van alle lidstaten wanneer zij beslissingen nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, zelfs al schrijft de toepasselijke regelgeving een dergelijke formaliteit niet expliciet voor.

De Raad wijst erop dat luidens vaste rechtspraak van het Hof een schending van het hoorrecht naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit leidt wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben, met name omdat verzoeker specifieke omstandigheden had kunnen aanvoeren die na een individueel onderzoek het nemen van de bestreden beslissing hadden kunnen verhinderen (cf. HvJ 10 september 2013, C-383/13 PPU, M.G. e.a., ro. 38 met verwijzing naar de arresten van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, C 301/87, Jurispr. blz. I 307, punt 31; 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C 288/96, Jurispr. blz. I 8237, punt 101; 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, C 141/08 P, Jurispr. blz. I 9147, punt 94, en 6 september 2012, Storck/BHIM, C 96/11 P, punt 80). Hieruit volgt dat niet elke onregelmatigheid bij de uitoefening van het hoorrecht tijdens een administratieve procedure een schending van het hoorrecht oplevert.

In eerste instantie bemerkt de Raad dat de bestreden beslissing het gevolg is van een aanvraag die voor verzoeker op eigen initiatief werd ingediend. Bovendien blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker door de Vlaamse administratieve overheid op 31 maart 2023 werd verzocht om uitdrukkelijk aan te tonen dat hij over minstens twee jaar ervaring in de functie ‘productie-operator’ in de voedingssector beschikt. Als antwoord daarop heeft verzoeker zijn CV overgemaakt. Dit document, door verzoeker zelf opgesteld, geeft aan dat hij in de periode 2017-2020 werkzaam was als ‘production operator’ bij een bedrijf in Pakistan dat werkzaam is in de voedingssector. Verzoeker kan aldus niet ernstig voorhouden dat hij niet in de mogelijkheid zou zijn gesteld om zijn standpunt betreffende zijn werkverleden op afdoende wijze kenbaar te maken. Verzoeker toont niet aan waarom hij de informatie die hij nu voor het eerst aanvoert in zijn verzoekschrift, met name dat hij in 2019 inderdaad kortstondig tewerkgesteld was als bedrijfsdirecteur van een schoenenbedrijf, niet eerder kenbaar heeft kunnen maken. Dat deze werkervaring niet relevant is voor de aanvraag voor een gecombineerde vergunning in de voedingssector, is geen bevredigende verklaring voor het feit dat verzoeker deze informatie niet heeft meegedeeld aan verweerder voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing. Volledigheidshalve merkt de Raad op dat verzoeker ter ondersteuning van zijn betoog geen enkel concreet bewijsdocument aanbrengt. Dat hij dus louter kortstondig tewerkgesteld was in het schoenenbedrijf P. S., terwijl hij tegelijkertijd ook werkzaam was als production operator bij S. F. M., wordt dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

Een schending van het hoorrecht of van de rechten van verdediging wordt niet aangetoond.

Vervolgens betoogt verzoeker dat een “mogelijke incongruentie” geen aanleiding kan geven tot het nemen van een beslissing tot weigering van verblijf in het kader van zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning. Hij stelt dat niet met voldoende zekerheid vaststaat dat hij valse of misleidende informatie heeft verschaft in zijn aanvraag. Tenslotte benadrukt verzoeker dat het bevoegde gewest hem reeds een toelating tot arbeid heeft gegeven.

De rechtsgrond voor het nemen van de bestreden beslissing betreft in casu artikel 74/20 van de Vreemdelingenwet. Verweerder stelt vast dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn professioneel verleden. Immers verklaarde verzoeker in het kader van een visumaanvraag bij de Spaanse autoriteiten dat hij in 2019 werkzaam was als bedrijfsdirecteur in schoenenbedrijf P. S. In het kader van de voorliggende aanvraag voor een gecombineerde vergunning geeft verzoeker in zijn CV echter aan dat hij tussen 2017 en 2020 werkzaam was als production operator in voedingsbedrijf S. F. M. Er dient te worden benadrukt dat verzoeker deze vaststellingen niet betwist. Verweerder motiveert aangaande de vastgestelde tegenstrijdigheid het volgende:

“Op basis van al het bovenstaande dient te worden vastgesteld dat er een onverzoenbare incongruentie bestaat tussen enerzijds de tewerkstellingshistoriek die betrokkene heeft aangeleverd aan de Belgische autoriteiten bij zijn aanvraag voor het bekomen van een gecombineerde vergunning voor tewerkstelling en verblijf in België, én anderzijds de beroepsinformatie die betrokkene heeft aangeleverd aan de Spaanse autoriteiten, bij zijn eerdere aanvraag voor het bekomen van een Schengenvisum in 2019.

Volgens de informatie die vermeld staat op het curriculum vitae (CV) dat betrokkene heeft aangeleverd aan de Belgische autoriteiten bij zijn aanvraag voor het bekomen van een gecombineerde vergunning, staat vermeld dat betrokkene in de periode 2017-2020 heeft gewerkt als ‘productie-operator’ bij S. (…) F. (…) M. (…). Echter komt deze informatie geenszins overeen met de beroepsinformatie die betrokkene in 2019 heeft aangeleverd aan de Spaanse autoriteiten i.h.k.v. zijn aanvraag voor het bekomen van een Schengenvisum. Bij deze laatst vernoemde aanvraag in 2019 had betrokkene namelijk opgegeven tewerkgesteld te zijn als ‘bedrijfsdirecteur’, en deze aanvraag maakte eveneens vermelding van de onderneming ‘P. (…) S. (…)’, maar niet van de onderneming ‘S. (…) F. (…) M. (…)’.

Aangezien er hierbij dus zowel een discrepantie is omtrent de beroepsfunctie als omtrent de werkgever, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat betrokkene bij zijn aanvraag voor het bekomen van een gecombineerde vergunning géén waarheidsgetrouwe informatie heeft verstrekt aan de Belgische autoriteiten omtrent zijn professioneel verleden en zijn tewerkstellingshistoriek in Pakistan, én dat het voorgelegde CV dat deel uitmaakt van de aanvraag gecombineerde vergunning opgesteld is met als doel de Belgische Staat te misleiden met oog op het bekomen van een gecombineerde vergunning.”

Verweerder gaat over tot het nemen van de bestreden beslissing met toepassing van artikel 74/20 van de Vreemdelingenwet omdat verzoeker bij zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning geen waarheidsgetrouwe informatie heeft verschaft en omdat het voorgelegde CV, dat deel uitmaakt van de aanvraag, is opgesteld met als doel de administratieve overheid te misleiden met het oog op het bekomen van een gecombineerde vergunning. Verzoeker toont met zijn louter algemeen betoog niet aan dat verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing met de gedane vaststellingen, die geenszins worden betwist, geen rekening mocht houden. Evenmin toont verzoeker aan dat er in casu geen toepassing mocht worden gemaakt van artikel 74/20 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker kan niet worden gevolgd waar hij voorhoudt dat niet met voldoende zekerheid zou vast staan dat hij valse of misleidende informatie heeft gebruikt. Immers motiveert verweerder weldegelijk waaruit blijkt dat verzoeker valse of misleidende informatie heeft gebruikt, met name de vaststelling dat zijn CV geen waarheidsgetrouwe informatie bevat. Verzoeker slaagt er niet in de motieven van de bestreden beslissing, die de Raad bovendien niet kennelijk onredelijk noch onzorgvuldig voorkomen, te weerleggen.

Meer info