Samenvatting
Uit artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet volgt dus duidelijk dat de aanvrager die ouder is dan 21 jaar “ten laste” van de referentiepersoon dient te zijn. Deze situatie van afhankelijkheid dient niet alleen te bestaan op het ogenblik waarop de aanvraag wordt ingediend, maar ook op het ogenblik van het nemen van de beslissing omtrent deze aanvraag. Het houdt dus in dat de betrokken descendent aantoont dat hij ten laste was van de referentiepersoon in het land van herkomst en nog steeds ten laste is op het ogenblik van het treffen van de beslissing over de vestigingsaanvraag (cf. RvS 26 maart 2024, nr. 259.251). Er is slechts sprake van een onherroepelijk vastgesteld recht indien de overheid heeft vastgesteld dat de wettelijke voorwaarden zijn vervuld en zij aldus het verblijfsrecht heeft erkend, hetgeen op het ogenblik van het indienen van de aanvraag nog niet het geval is. De erkenning van het recht op gezinshereniging vereist niet enkel dat de aanvrager erover beschikt wanneer hij er aanspraak op kan maken, maar ook op het ogenblik dat de overheid een beslissing neemt over zijn aanvraag (cf. RvS 30 maart 2018, nr. 241.179).
In de bestreden beslissing kan onder meer worden gelezen: “Een raadpleging van de databank van de RSZ Dolsis, wijst in dit opzicht op het tegendeel. Immers, betrokkene is zelf tewerkgesteld bij Ferm Dienstencheques CV vanaf 24.08 2023 tot heden. Zij is dus in staat om zelf een inkomen te verwerven. Bovendien heeft deze situatie betrekking op de toestand in België, niet op deze in het land van herkomst. Op zich is de werkbereidheid van betrokkene een positief element Echter: om gezinshereniging te kunnen genieten als volwassene, ouder dan 21 jaar, dient men ten laste te zijn van de referentiepersoon. Er kan bezwaarlijk gesteld worden dat dit hier het geval is.”
In tegenstelling tot wat de verwerende partij aangeeft in haar nota – en waarvan verzoekster akte neemt in haar synthesememorie – betreft dit geen overtollige motivering, maar wel een op zich dragende motivering (cf. RvS 26 maart 2024, nr. 259.251). Het standpunt in de nota vindt trouwens geen steun in de bestreden beslissing. De betrokken overwegingen worden ook niet ingeleid door de woorden “Ten overvloede” of “Bovendien”.
In casu betwist verzoekster niet dat zij, voordat de bestreden beslissing werd getroffen, inkomsten puurde uit tewerkstelling. Hierdoor kan ze niet worden beschouwd als zijnde ten laste van haar Nederlandse moeder, zoals kan worden gelezen in de in punt 3.4. vermelde overwegingen. De geciteerde overwegingen volstaan op zich om de bestreden beslissing te schragen gezien het gestelde in punt 3.3.
Dit alles staat niet haaks op de interpretatie van het begrip ‘ten laste zijn’ zoals gegeven door het Hof van Justitie in zijn rechtspraak. Hiermee moet immers rekening worden gehouden aangezien artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet de omzetting vormt van artikel 2, tweede lid, c) van de Richtlijn 2004/38/EG.
In het arrest Reyes van 16 januari 2014 heeft het Hof van Justitie gesteld:
“30.In dit verband moet worden vastgesteld dat de situatie van afhankelijkheid moet bestaan in het land van herkomst van het betrokken familielid op het ogenblik dat hij verzoekt om zich te mogen voegen bij de burger van de Unie te wiens laste hij is (zie in die zin reeds aangehaald arrest Jia, punt 37, en arrest van 5 september 2012, Rahman e.a., C-83/11, punt 33).
31. Daaruit volgt dat, zoals in wezen is betoogd door alle belanghebbenden die opmerkingen hebben ingediend bij het Hof, eventuele vooruitzichten om werk te vinden in het gastland, waardoor de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn van 21 jaar of ouder van een burger van de Unie eventueel niet langer ten laste is van die burger wanneer hij het verblijfsrecht eenmaal heeft gekregen, niet van invloed kunnen zijn op de uitlegging van de voorwaarde dat hij „ten laste” is als bedoeld in artikel 2, punt 2, sub c, van richtlijn 2004/38.
32 Bovendien zou een andere oplossing, zoals de Commissie op goede gronden heeft betoogd, die bloedverwant in de praktijk beletten werk te zoeken in het gastland en daardoor afbreuk doen aan artikel 23 van deze richtlijn, dat een dergelijke bloedverwant uitdrukkelijk toestaat, indien hij het verblijfsrecht geniet, aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen (zie naar analogie arrest Lebon, reeds aangehaald, punt 20).
Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 2, punt 2, sub c, van richtlijn 2004/38 in die zin moet worden uitgelegd dat het feit dat een familielid wegens persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd, beroepsopleiding en gezondheid wordt geacht goede vooruitzichten te hebben om werk te vinden en bovendien voornemens is om in het gastland te werken, niet van invloed is op de uitlegging van de in die bepaling genoemde voorwaarde dat hij „ten laste” is.”
Het voormelde houdt dus in dat een descendent van een burger die ouder is dan 21 jaar, geen verblijfsrecht kan worden ontzegd als hij in het land van oorsprong ten laste was en hij, voordat er een verblijfsrecht werd erkend, goede vooruitzichten heeft op werk of werk zoekt. Het is de betrokkene ook toegestaan om, nadat hem het verblijfsrecht werd erkend, een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Dit vloeit immers voort uit artikel 23 van de Burgerschapsrichtlijn, zoals ook verzoekster terecht opwerpt in haar synthesememorie.
Echter betreft de voorliggende situatie een andere situatie, met name de descendente van een Unieburger die ouder is dan 21 jaar en die moet aantonen dat zij ten laste is van de Unieburger, is al aan het werk terwijl de vestigingsprocedure nog loopt en puurt hieruit inkomsten, alvorens een verblijfsrecht werd erkend. Verweerder kan daarom worden gevolgd waar hij in de bestreden beslissing stelt: “Echter om gezinshereniging te kunnen genieten als volwassene, ouder dan 21 jaar, dient men ten laste te zijn van de referentiepersoon. Er kan bezwaarlijk gesteld worden dat dit hier het geval is.”
Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar betoog in de synthesememorie dat de overwegingen in de bestreden beslissing die werden geciteerd in punt 3.4. “intern tegenstrijdig” of “onbegrijpelijk” zijn. Immers betreft het overwegingen die te maken hebben met het feit dat de descendente zoals gezegd ook nog ten laste moet zijn van de Unieburger zolang de vestigingsprocedure loopt. Dit is niet tegenstrijdig met de overige overwegingen in de bestreden beslissing die handelen over de eveneens te vervullen voorwaarde dat de descendente ook moet aantonen in het land van oorsprong ten laste van de Unieburger te zijn geweest. In tegenstelling tot wat verzoekster voorhoudt in de synthesememorie zijn de in punt 3.4. geciteerde overwegingen wel degelijk pertinent, zoals hoger werd geduid. Tevergeefs beroept verzoekster zich op artikel 23 van de Burgerschapsrichtlijn. Immers handelt dit over familieleden van een burger van de Unie, die in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten, die ongeacht hun nationaliteit het recht hebben aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Verzoekster geniet echter nog geen verblijfsrecht en evenmin duurzaam verblijfsrecht. De verwijzing in de synthesememorie naar rechtsleer uit 2007, waarbij geen verdere concrete toelichting wordt gegeven, kan evenmin leiden tot een ander oordeel.
Aangezien de in punt 3.4. geciteerde overwegingen, die te maken hebben met de voorwaarde van nog ten laste te zijn op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing, op zich volstaan om de bestreden beslissing te schragen, gaat de Raad niet in op de kritiek van verzoekster aangaande overwegingen in de bestreden beslissing die te maken hebben met de voorwaarde van het ten laste te zijn geweest van de Unieburger in het land van oorsprong, noch op het verweer op deze kritiek.
Bijgevolg kan het enig middel geen aanleiding geven tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.