Samenvatting
In casu merkt de Raad op dat verzoeker in het tweede onderdeel van het enige middel verweerder verwijt dat hij zijn aanvraag - waarvan reeds kan worden gepreciseerd dat hij niet betwist dat het om een aanvraag voor een visum voor verblijf van langere duur gaat - heeft geanalyseerd als een aanvraag voor een visum voor gezinshereniging op basis van artikel 40ter Vw., en dat hij deze aanvraag bijgevolg heeft afgewezen op grond dat de ouder-kindrelatie met mevrouw [X.], van Belgische nationaliteit, niet was vastgesteld, aangezien verweerder niet bevoegd is ter zake van de erkenning van adoptie, die tot de bevoegdheid van de FOD Justitie behoort.
Zij stelt integendeel dat artikel 9 Vw. geenszins vereist dat een ouder-kindrelatie of adoptie wordt vastgesteld als voorwaarde voor de toekenning van een visum.
De Raad merkt op dat in het visumaanvraagformulier niet uitdrukkelijk wordt vermeld dat de aanvraag is ingediend op basis van een specifieke wettelijke bepaling.
Bovendien staat er « Objet(s) du voyage » la mention « Autre (à préciser) : Adoption », en de Raad merkt op dat de rubriek « Lien de parenté avec un ressortissant de l’UE […] » is niet ingevuld.
Uit de motivering van de bestreden handeling wordt niet duidelijk waarom verweerder dit verzoek heeft willen analyseren als een verzoek om gezinshereniging op basis van artikel 40ter Vw. in plaats van vanuit het perspectief van een andere bepaling, zoals artikel 9 Vw.
De Raad merkt bovendien op dat, hoewel verweerder in zijn opmerkingen van oordeel is dat het verzoek inderdaad “gezinshereniging” tot doel had, hij niet stelt dat artikel 40ter Vw. en niet artikel 9 van dezelfde wet, gelet op de elementen van het geval en in het bijzonder op de bewoordingen van het verzoek, vanzelfsprekend vereist was.
Bovendien kan worden opgemerkt dat het administratief dossier een nota van de Belgische ambassade te Kinshasa bevat waarin de term « RF humanitaire » wordt vermeld en dat verweersters samenvattende nota, die eveneens in het administratief dossier is opgenomen, spreekt van een “RF élargi”.
Hieruit volgt dat de motivering van de bestreden handeling op dit punt ontoereikend is, aangezien noch verzoeker noch de Raad op basis daarvan kan nagaan waarom het verzoek uitsluitend aan artikel 40ter Vw. is getoetst.
Evenals verzoekster kan de Raad slechts vaststellen dat deze kwalificatie van de visumaanvraag de beoordeling van de aanvraag kan beïnvloeden en dus een invloed heeft op het resultaat van de aanvraag.
Zoals verweerder erkent, beschikt hij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid wanneer hij uitspraak doet op basis van artikel 9 Vw., in tegenstelling tot artikel 40 ter van deze wet.
De Raad kan niet, zonder zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van verweerder, ervan uitgaan dat verweerder het beroep zou hebben verworpen indien hij het had onderzocht vanuit het oogpunt van artikel 9 Vw.
De Raad kan verweerder dus niet volgen wanneer deze in zijn opmerkingen stelt dat verzoeker er geen belang bij heeft hem te verwijten dat hij artikel 9 Vw. niet heeft toegepast.
De Raad merkt op dat verweerder in zijn opmerkingen betoogt dat verzoekster geen belang heeft om haar te verwijten dat zij artikel 9 van de wet van 15 december 1980 niet heeft toegepast, temeer daar zij de toepassing van dit artikel niet uitdrukkelijk heeft gevorderd. Hoewel het in beginsel de verantwoordelijkheid van de aanvrager is om zijn aanvraag juist en volledig in te dienen, heeft de Raad opgemerkt dat in het geval van visa de ambassade voorgedrukte formulieren verstrekt die duidelijk niet alleen door de aanvragers worden ingevuld. In dit geval bevat het aanvraagformulier dat aan de aanvrager wordt verstrekt geen onderdeel dat is gewijd aan de vermelding van een wettelijke bepaling, wat wel het geval zou moeten zijn als verweerder deze vermelding als essentieel beschouwt.
Bovendien stemt de formulering van het deel van het formulier dat aan het doel van de reis is gewijd, niet overeen met de titel “visumaanvraag voor verblijf van langere duur”: aangezien verzoeker niet naar België wenste te komen voor “toerisme”, “zaken”, “bezoek aan familie of vrienden”, “cultuur”, “sport”, “officieel bezoek”, “medische redenen”, “studie”, of “luchthaventransit”, zoals in die rubriek is bepaald. Verzoeker had geen andere keuze dan de rubriek ‘andere’ aan te kruisen en, gelet op de toegekende ruimte, zijn “adoptie” naar voren te brengen. Het dubbelzinnige karakter van het aanvraagformulier had verweerder op zijn minst tot meer voorzichtigheid moeten aanzetten, aangezien verzoeker bovendien minderjarig was.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder verzoeker niet ernstig kan verwijten dat hij zich niet uitdrukkelijk heeft beroepen op artikel 9 Vw.
Bovendien had verzoeker zich niet ook beroepen op artikel 40ter Vw., wat verweerder niet belette om op die basis uitspraak te doen.