Samenvatting
In de bestreden beslissing heeft verweerder het volgende opgenomen: “Betrokkene heeft verzaakt aan de verplichting om binnen de acht werkdagen haar nieuwe verblijfplaats door te geven, een tijdelijke afwezigheid te melden of een eventueel vertrek naar het buitenland aan te geven. Heden staat zij ambtshalve geschrapt sinds 07.12.2023 (voorstel daartoe dateert van 11.01.2023). Door toedoen van betrokkene kan aldus geen toepassing gemaakt worden van art. 62 §1 van de wet van 15.12.1980. Het is voor DVZ onmogelijk betrokkene te verzoeken haar individuele situatie toe te lichten zodat kan getoetst worden of zij eventueel toch het verblijfsrecht verder zou kunnen uitoefenen. Betrokkenes dossier zal moeten worden beoordeeld op basis van de voor DVZ beschikbare gegevens.”
Met verwijzing naar artikel 62, § 1 van de Vreemdelingenwet, heeft verweerder aldus geoordeeld dat de op hem rustende hoorplicht niet geldt in het specifieke geval van verzoekster nu zij onbereikbaar was. Zoals dit duidelijk blijkt uit de stukken van het administratief dossier, besloot hij hiertoe op basis van de vermelding in de bevolkingsregisters dat verzoekster op 7 december 2023 van ambtswege was afgevoerd.
Verweerder heeft echter niet “al een eerste keer getracht [verzoekster] te informeren, anders dan met een eenvoudig telefonisch contact, in principe, met een schriftelijk bericht of door bemiddeling van de gemeente of de politie”, noch heeft hij “pogingen […] ondernomen om te weten waar [verzoekster] zich bevindt, met name door inlichtingen in te winnen over een eventuele adreswijziging of een eventueel vertrek naar het buitenland”. Er blijkt niet dat verweerder enige verdere actie ondernam, zoals een contactname met de gemeente waar verzoekster haar laatst gekende adres had. Ook in de situatie waarin de betrokkene van ambtswege werd afgevoerd uit de bevolkingsregisters, vereist de toepassing van de uitzondering op het hoorrecht zoals voorzien artikel 62, § 1, derde lid van de Vreemdelingenwet wanneer de betrokkene onbereikbaar is, dat de overheid een eerste keer heeft getracht om de betrokkene te informeren door middel van een brief of via de gemeente of de politie en dat zij dus concrete stappen hiertoe heeft ondernomen die door de Raad kunnen worden gecontroleerd (RvS 12 mei 2021, nr. 14.372 (c)). In de voorliggende situatie heeft verweerder aldus het hoorrecht, bekrachtigd in artikel 62, § 1 van de Vreemdelingenwet, geschonden.
In zijn nota met opmerkingen benadrukt verweerder dat uit de stukken van het administratief dossier op geen enkele wijze kon worden afgeleid welke de huidige verblijfplaats was van verzoekster en dat noch zij noch haar voormalige partner de bevoegde autoriteiten in kennis hebben gesteld van haar verblijfplaats. Hij benadrukt ook dat het verzoekster toekwam om haar adreswijziging binnen de acht dagen door te geven, wat zij naliet, en dat zij ook niet aantoont dat zij hiertoe in de onmogelijkheid was. Hij is aldus van mening dat het hem niet kan worden verweten dat verzoekster niet kon worden gehoord in toepassing van artikel 62, § 1 van de Vreemdelingenwet. Dit verweer vermag echter geen afbreuk te doen aan de voorgaande vaststellingen, met name dat verweerder zich louter steunde op de vaststelling dat verzoekster in de bevolkingsregisters van ambtswege stond afgevoerd en hij geen enkele concrete actie ondernam om verzoekster alsnog te bereiken. De Raad kan niet met zekerheid vaststellen dat bv. een contactname met de gemeente waar verzoekster haar laatst gekende adres had of een brief gestuurd naar haar laatst gekende adres er niet toe had kunnen leiden dat zij alsnog had kunnen worden bereikt.