Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 317.668 - 29-11-2024

Samenvatting

De vaststelling dat de verzoekers zich in Pakistan in een “redelijk veilige omgeving” bevinden, heeft blijkens het geheel van de geboden motieven voor elk van de bestreden beslissingen mede de doorslag gegeven in het besluit van de verweerder om hen geen visum lang verblijf om humanitaire redenen toe te staan. Het is immers op deze basis dat de verweerder oordeelt dat de verzoekers niet zozeer in een dringende prangende humanitaire situatie bevinden maar dat het eerder om economische reismotieven lijkt te gaan, en bovendien geeft de verweerder verderop in elk van de bestreden beslissingen ook uitdrukkelijk aan dat de visumweigering niet in strijd lijkt met artikel 3 van het EVRM nu de verzoekers zich schijnbaar in een veilige omgeving bevinden.

Samen met de verzoekers stelt de Raad vast dat de verweerder nergens toelicht waaruit zou kunnen blijken dat Pakistan voor hen een veilige omgeving is. Nochtans hadden de verzoekers blijkens de stukken van het administratief dossier wel degelijk gewezen op hun precaire verblijfssituatie in Pakistan. Met name blijkt uit de ‘synthesenota visa’ dat de eerste verzoeker op 4 mei 2023 aan de verweerder een schrijven heeft gericht met verdere toelichtingen omtrent de vier lopende visumaanvragen van zijn gezin. Dit mailbericht bevindt zich tevens in het administratief dossier, alsook blijkt dit bericht te zijn doorgestuurd aan de bevoegde dienst binnen de Dienst Vreemdelingenzaken. De synthesenota bevat hieromtrent de volgende informatie:

“(…)
- Situatie in Afghanistan is slecht, in het bijzonder voor meisjes en vrouwen
- Familie en ikzelf hadden geluk te kunnen ontsnappen naar Pakistan
(…)
- Vraag om spoedige beslissing gelet het gezin momenteel geen enkele inkomsten heeft en in zeer moeilijke omstandigheden in Pakistan dient te (over)leven
+ persartikel dd 08/06/2023 betreft onveilige situatie in Pansjhir, vermelding grootschalige arrestaties / opsluitingen
+ persartikel ‘Pakistan Today’ dd 07/06/2023 betreft arrestatie 250 Afghanen in Islamabad Pakistan.
+ persartikel ‘Pakistan Today’ dd 08/06/2023 betreft arrestatie 200 Afghanen in Islamabad Pakistan.
+ persartikel ‘Pakistan Today’ dd 08/06/2023 betreft arrestatie Afghanen in Islamabad Pakistan
(…)”

Hieruit blijkt dat de verweerder bij het nemen van de bestreden beslissingen op 13 juli 2023 wel degelijk op de hoogte was van arrestaties van Afghanen in Islamabad, Pakistan. Ook verwijst de verweerder zelf en op eigen initiatief naar het in januari 2023 uitgebrachte rapport van EUAA ‘Country Guidance: Afghanistan’ om aan te geven dat de veiligheidssituatie in Afghanistan sinds augustus 2021 sterk is gewijzigd nu er een significante daling is van het willekeurig geweld. Op pagina 104 van dit rapport, waarnaar de verzoekers in voetnoot 9 uitdrukkelijk verwijzen, wordt het volgende gemeld: “(…) IOM noted that 2021 was a record year for forced returns, with close to 800 000 Afghans being forcibly returned from neighbouring Iran and Pakistan. (…) As of January 2022, there were approximately 3 million Afghans living in Pakistan, around 1.4 million of them are Proof of Registration (PoR) cardholders, approximately 840 000 hold an Afghan Citizen Card (ACC), and an estimated 775 000 are undocumented. While PoR and ACC cardholders are offered limited protection, mainly from refoulement, undocumented Afghans are exposed to arrest, detention and deportation. As a result, many new arriving Afghans had to rely on informal networks and try to keep a low profile for fear of being stopped by Pakistani authorities [Pakistan – Situation of Afghan refugees 2022, 1.2.2, p. 22].” [vrije vertaling: IOM meldde dat 2021 een recordjaar was voor de gedwongen terugkeer, met om en bij de 800.000 Afghanen die gedwongen werden gerepatrieerd vanuit de buurlanden Iran en Pakistan. In januari 2022 leefden ongeveer drie miljoen Afghanen in Pakistan, 1.4 miljoen van hen waren houder van een PoR-kaart, ongeveer 840.000 hadden een Afghan Citzien Card en ongeveer 775.000 hadden geen documenten. Waar de houders van een PoR en ACC kaart een gelimiteerde bescherming kregen (vooral tegen refoulement), zijn ongedocumenteerde Afghanen onderhevig aan detentie en deportatie. Dit heeft tot gevolg dat vele van de pas in Afghanistan aangekomen Afghanen afhankelijk zijn van informele netwerken en dat zij er zich low profile trachten te houden uit vrees om door de Afghaanse autoriteiten te worden gestopt].

Zoals de verzoekers pertinent opmerken, verwijst de verweerder aldus zelf naar een rapport van EUAA waarin wordt gemeld dat in 2021 alleen al ongeveer 800.000 Afghanen gedwongen werden gerepatrieerd vanuit Pakistan en Iran, en wordt in datzelfde rapport ook uitdrukkelijk verwezen haar het eerder door EUAA uitgebrachte rapport ‘Pakistan – Situation of Afghan refugees’ van mei 2022 waarin de precaire situatie van vele Afghaanse vluchtelingen in Pakistan nader wordt toegelicht. Daar waar de verweerder blijkens de stukken van het administratief dossier bij het nemen van de voorliggende beslissingen op de hoogte was van recente persartikels die berichten over vele honderdduizenden Afghanen die in Islamabad, Pakistan, worden gearresteerd, en waar de verweerder zelf en uit eigen initiatief bij de beoordeling van de vier visumaanvragen verwijst naar het EUAA-rapport ‘Country Guidance: Afghanistan’ waarin de precaire situatie van Afghanen in Pakistan wordt gemeld en waarin hieromtrent wordt verwezen naar het meer gedetailleerde rapport ‘Pakistan – Situation of Afghan refugees’ van mei 2022, getuigen de motieven van de bestreden beslissingen inderdaad niet van de vereiste zorgvuldigheid bij de besluitvorming inzake de weigering van de visumaanvragen van de verzoekers. De verweerder poneert louter, zonder enige analyse van de informatie waarover hij beschikte, dat de verzoekers zich in Pakistan in een redelijk veilige omgeving bevinden. De verweerder neemt voorts de hem voorliggende gegevens al te beperkend in rekening en miskent deze gegevens door vervolgens te oordelen dat de economische moeilijkheden van het gezin “eerder wijzen op economische reismotieven en niet zozeer op een dringende prangende humanitaire situatie op basis waarvan een humanitair visum kan worden toegestaan”. Uit dit alles blijkt dat de verweerder het in het kader van de visumaanvragen naar voor gebrachte element van de moeilijke situatie waarin de verzoekers zich in Pakistan bevinden ten onrechte reduceert tot eerder economische reismotieven, en dat de verweerder slechts vaagweg stelt dat de verzoekers in een redelijk veilig gebied verblijven, zonder hierbij echter een verder onderzoek te voeren naar de informatie waarover hij beschikte omtrent de precaire situatie van Afghanen in Pakistan.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissingen behept zijn met een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.