Samenvatting
In deze case weigerde DVZ weigerde het studentenvisum omdat er geen definitief inschrijvingsbewijs aanwezig was en vond dat de visumvoorwaarden hierdoor niet werden nageleefd. DVZ motiveert de weigering met de bewering dat artikel 58, 5° Vw bepaalt dat het ‘voorbereidend jaar de voor de latere toegang tot de betrokken studies van het hoger onderwijs vereiste aanvullende kennis moet verschaffen, hetzij één de landstalen machtig te worden maken, die ook de onderwijstaal van de betrokken studies is’ en dat de aanvrager ‘geen enkel bewijs van toelating tot enige opleiding van hoger onderwijs na zijn voorbereidend jaar voorlegt, om de realiteit van zijn studieproject aan te tonen en om aan te tonen dat dit voorbereidend jaar in het Frans deel uitmaakt van een project voor hoger onderwijs in België’. DVZ beweert dat de aanvraag onvolledig is en weigert het visum op basis van artikel 58, 5° Vw.
De RvV wijst op het voorlopig toelatingsbewijs dat bij de aanvraag zat. Een student die wil starten in een opleiding die voorbereidt op een daaropvolgende, voltijdse opleiding hoger onderwijs, moet bewijs leveren van
• voorwaardelijke toelating of
• inschrijving voor een toelatingsproef voor een voltijdse studie die volgt op het voorbereidend jaar.
De student had hier wel degelijk een voorlopig toelatingsbewijs voorgelegd en ook een studieplan via de vragenlijst (Questionnaire ASP Etude) van de ambassade.
De DVZ heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de gegevens in voorlopig toelatingsbewijs of met de antwoorden in de vragenlijst bij het verzoek, om te beoordelen of verzoeker de realiteit van zijn studieplan aantoonde en of het betrokken voorbereidingsjaar ‘deel uitmaakte van een plan voor hoger onderwijs in België’.
Door de weigering alleen te baseren op het niet overleggen van een bewijs van (definitieve) inschrijving aan een instelling van hoger onderwijs voor het academiejaar 2025-2026 (dat 14 maanden na de indiening van voorgenoemde aanvraag aanvangt) heeft de DVZ een voorwaarde aan de wet toegevoegd.