Samenvatting
Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat familiebanden tussen ouders en minderjarige kinderen, evenals tussen echtgenoten of partners, in principe verondersteld moeten worden te bestaan (zie o.a. EHRM, 21 juni 1988, Berrehab/Nederland, § 21; EHRM, 28 november 1996, Ahmut/Nederland, § 60).
In dit geval is die veronderstelling van toepassing. De verweerder lijkt echter van mening te zijn dat er aanwijzingen zijn die deze kunnen weerleggen. Zo wordt aangegeven dat de tweede verzoeker « op geen enkele manier aantoont dat er een risico bestaat op schending van artikel 8 van het EVRM of dat er sprake is van daadwerkelijk familieleven » met zijn vader, aangezien « er niets wijst op een situatie van kwetsbaarheid, bestaansonzekerheid, isolement en/of afhankelijkheid die zijn persoonlijke ontwikkeling in gevaar zou brengen ».
Dergelijke motivering is volgens de rechtspraak van het EHRM niet toereikend. De hoogste rechter heeft immers in de zaak Mokrani tegen Frankrijk (EHRM, 15 juli 2003) gesteld dat relaties tussen ouders en volwassen kinderen “niet noodzakelijk beschermd worden door artikel 8 van het Verdrag, tenzij er bijkomende afhankelijkheid bestaat, anders dan normale emotionele banden”, terwijl een dergelijke eis niet geldt voor relaties tussen ouders en minderjarige kinderen. Alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, die hier niet zijn vastgesteld, kan men stellen dat er geen sprake is van familieleven tussen ouders en hun minderjarige kinderen. Dat de tweede verzoeker niet « regelmatig en voortdurend contact » onderhoudt met zijn vader en niet heeft aangetoond dat « de financiële steun rechtstreeks ten goede komt aan de verzoeker », doet aan deze conclusie niets af.
De Raad wijst er bovendien op dat het Hof, met name in de zaak Moretti en Benedetti t. Italië, nr. 16318/07 van 27 april 2010, heeft vastgesteld dat er sprake was van een gezinsleven tussen een minderjarig kind en zijn pleeggezin, zelfs al had het kind nog een biologische moeder die enkele dagen na de geboorte niet langer voor haar dochter zorgde. Dit terwijl de staat van mening was dat een louter de facto-band niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM zou vallen. Het Hof oordeelde echter dat, ondanks het ontbreken van een juridische verwantschap, de relatie tussen verzoekers toch als gezinsleven moet worden beschouwd.
De Raad wil vervolgens stilstaan bij de bijzondere context waarin het verzoek om een humanitair visum is ingediend. Hij merkt op dat de tweede verzoeker, een minderjarige, en zijn vader niet langer samenwonen, omdat de vader zijn land heeft verlaten om in België internationale bescherming aan te vragen en inmiddels als vluchteling is erkend. Door eenvoudigweg te stellen dat verzoeker en de gezinshereniger niet meer samenwonen, zonder uit te leggen dat deze scheiding het gevolg is van de vlucht van de vader en diens asielaanvraag in België, geeft de verwerende partij een onjuiste weergave van dit onderdeel van het administratief dossier.
Verder stelt de verwerende partij dat “er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker zich in een kwetsbare, precaire, geïsoleerde en/of afhankelijke situatie bevindt die zijn persoonlijke ontwikkeling in gevaar zou kunnen brengen, en dat daarom in deze omstandigheden de gezinssituatie van verzoeker niet nauwkeurig kan worden vastgesteld of beoordeeld”. De Raad begrijpt dan ook niet op basis van welke overwegingen de verwerende partij meent dat de tweede verzoeker zich niet in een kwetsbare en precaire situatie bevindt, terwijl zij zelf aangeeft dat zijn gezinssituatie niet duidelijk kan worden vastgesteld. De motivatie van de verwerende partij is tegenstrijdig en maakt het voor zowel de verzoekers als de Raad onmogelijk om het redeneringsproces van de verwerende partij op dit punt te volgen.
Bovendien blijkt uit de visumaanvraag van de tweede verzoeker dat hij op hetzelfde adres woont als de tweede echtgenote van zijn vader. Uit de bijgevoegde documenten bij de visumaanvraag blijkt ook dat de tweede verzoeker samen met de echtgenote van de eerste verzoeker in 2022 vanuit Somalië naar Oeganda is gereisd, en dat beiden een Oegandees visum ontvingen met dezelfde vervaldatum. Daarnaast merkt de Raad, aansluitend bij de verzoekende partij, op dat tijdens het verhoor door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 25 februari 2016, de eerste verzoeker reeds had verklaard dat zijn drie kinderen bij zijn tweede echtgenote woonden. Wat betreft het argument dat de eerste verzoeker niet zou aantonen financieel voor de tweede verzoeker te zorgen, blijkt nergens uit het dossier dat Oegandese wetgeving minderjarigen toestaat een bankrekening te openen en geld vanuit het buitenland te ontvangen.
Zelfs als ervan uitgegaan zou worden dat de tweede verzoeker niet bij de tweede echtgenote van de eerste verzoeker woont, en dat de overgemaakte bedragen enkel ten goede komen aan zijn tweede echtgenote en niet aan zijn kind, is het des te tegenstrijdiger om te stellen dat deze minderjarige zich niet in een situatie van isolement, onzekerheid en kwetsbaarheid bevindt. Dit wordt nog eens onderstreept door de documenten bij de visumaanvraag, waaruit blijkt dat de moeder van de tweede verzoeker op 15 november 2020 verklaarde dat de verantwoordelijkheid over hun drie kinderen bij de vader lag en dat zij vrij waren om zich bij hem te voegen. De Raad ziet bovendien niet in hoe het feit dat deze verklaring op 15 november 2020 werd afgelegd, in tegenspraak zou zijn met de eerdere verklaringen van de eerste verzoeker van 25 februari 2016, waarin gesteld werd dat zijn kinderen bij zijn tweede echtgenote woonden.
Daarom oordeelt de Raad dat de veronderstelling van een bestaand gezinsleven tussen de tweede verzoeker, die minderjarig is, en zijn vader blijft bestaan, aangezien deze niet afdoende is weerlegd door de verwerende partij. De verwerende partij heeft bovendien nagelaten om de aangevoerde elementen zorgvuldig te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, voorafgaand aan het nemen van de aangevochten beslissing.