Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 322.353 - 25-02-2025

Samenvatting

De Raad merkt op dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift de verwerende partij in essentie verwijt te hebben geoordeeld dat de onderwijsinstelling waar zij haar diploma behaalde een privé-instelling is, terwijl eerdere inschrijvingsbewijzen van diezelfde instelling haar wel een tijdelijke verblijfsvergunning en diverse verlengingen daarvan hebben opgeleverd. Hierbij geeft zij aan dat haar aanvragen in het verleden ‘altijd werden beschouwd als eenvoudige verzoeken tot verlenging van het studentenverblijf op basis van artikel 58 van de wet van 15 december 1980’. De verzoekende partij meent dat hierdoor de principes van gerechtvaardigd vertrouwen en rechtszekerheid zijn geschonden, en vindt de aangevochten beslissing onvoldoende gemotiveerd.

In dit verband herinnert de Raad eraan dat een vreemdeling die langer dan drie maanden in België wil verblijven om te studeren aan een zogenoemde ‘privé’ onderwijsinstelling—dat wil zeggen een instelling die niet wordt georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de overheid—onderworpen is aan de algemene bepalingen van de wet van 15 december 1980, en in het bijzonder aan de artikelen 9 en 13. In deze situatie is de minister of zijn afgevaardigde bij het verlenen van een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden niet langer gebonden aan de ‘gebonden bevoegdheid’ van de artikelen 58 en 59 van genoemde wet, maar beschikt hij juist over een algemene discretionaire bevoegdheid.

In dit geval blijkt uit het administratief dossier dat de beslissing tot toekenning van een tijdelijke verblijfsvergunning door de verwerende partij, evenals de verlengingen daarvan, is genomen op basis van de artikelen 9 en 13 van de wet van 15 december 1980, aangezien de verzoekende partij wilde studeren aan een privé-instelling voor hoger onderwijs.

De Raad stelt vast dat het standpunt van verzoekende partij, dat haar tijdelijke verblijfsvergunning als student en de verlengingen daarvan op grond van artikel 58 van de wet van 15 december 1980 zouden zijn toegekend, niet kan worden gevolgd.

De Raad benadrukt bovendien dat, op basis van haar beoordelingsvrijheid zoals hierboven uiteengezet, verwerende partij de verzoekster terecht toestemming heeft verleend om in België te verblijven voor het volgen en voortzetten van haar studies aan een particuliere onderwijsinstelling. Aangezien deze verblijfsvergunning van tijdelijke aard is, merkt de Raad op dat verwerende partij niet verplicht is deze verblijfsvergunning te verlengen. Artikel 61/1/13 van de genoemde wet van 15 december 1980 bepaalt immers dat verwerende partij de verlenging van de verblijfsvergunning kan weigeren indien niet aan de voorwaarden van artikel 61/1/9 van diezelfde wet is voldaan, waaronder het leveren van het bewijs van het behalen van een diploma aan een instelling voor hoger onderwijs.

De Raad merkt op dat het begrip "instelling voor hoger onderwijs" in artikel 58, 3°, van de wet van 15 december 1980 als volgt wordt omschreven: "een instelling, erkend door de bevoegde autoriteit, die bevoegd is om een programma van hoger onderwijs te organiseren en de bijbehorende titels, academische graden, diploma’s en certificaten uit te reiken."

Het Raad merkt op dat het ‘Europees Instituut voor Hogere Economische Scholen en Communicatie’ (hierna ‘IEHEEC’) niet voorkomt op de lijst van ‘instellingen voor hoger onderwijs’ zoals bedoeld in de artikelen 10 tot en met 13 van het decreet van 7 november 2013. Dit betekent dat het instituut beschouwd moet worden als een instelling voor hoger onderwijs die niet erkend is door de bevoegde autoriteit.

Bovendien constateert de Raad aan de hand van het puntenoverzicht van 30 juni 2023 en het bewijs van slagen van 14 september 2023, zoals aanwezig in het administratief dossier, dat de IEHEEC, als opsteller van deze documenten, daarin wordt aangeduid als ‘Particuliere instelling voor hoger onderwijs niet erkend door de Franse Gemeenschap’.

Daarom stelt de Raad vast dat de instelling waar de verzoekster haar diploma heeft behaald, niet erkend is door de ‘bevoegde autoriteit’. Hierdoor valt dit instituut niet onder de definitie van ‘instelling voor hoger onderwijs’ zoals bedoeld in artikel 58, 3°, van de wet van 15 december 1980.

Daaruit volgt dat de Raad vaststelt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, zoals vastgesteld in artikel 61/1/9 van de wet van 15 december 1980, waarin is bepaald dat de vreemdeling bij de aanvraag tot verblijf ‘het bewijs van het behalen van een diploma aan een instelling voor hoger onderwijs in België’ moet overleggen.

Daarom stelt de Raad vast dat de verwerende partij haar beslissing duidelijk en afdoende heeft gemotiveerd, zodat de verzoekende partij kan begrijpen waarom haar aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen.

Met betrekking tot de vermeende schending van het vertrouwensbeginsel herinnert de Raad eraan dat dit beginsel voortvloeit uit het principe van goed bestuur. Het houdt in dat burgers mogen vertrouwen op een consistente en heldere houding van het bestuur, of op toezeggingen en beloften die door de overheid in een concreet geval zijn gedaan.

Een schending van dit beginsel vereist dat er een gerechtvaardigde verwachting is gewekt en dat er geen zwaarwegende reden is om van die erkenning terug te komen. Met andere woorden, het moet gaan om een situatie waarin de autoriteit vooraf duidelijke garanties heeft gegeven aan de betrokkene, waardoor er gegronde verwachtingen konden ontstaan (zie o.a. CE, nr. 25.945 van 10 december 1985; C.E., 32.893 van 28 juni 1989; C.E., nr. 59.762 van 22 mei 1996; C.E. (alg. vergadering), nr. 93.104 van 6 februari 2001; C.E., nr. 216.095 van 27 oktober 2011; C.E., nr. 22.367 van 4 februari 2013; C.E., nr. 234.373 van 13 april 2016; C.E., nr. 234.572 van 28 april 2016).

Echter, zoals hierboven bij punt 3.3.1. is aangegeven, is dat hier niet het geval. De eerder aan verzoekster verleende verblijfsvergunningen, evenals de verlengingen daarvan, waren gebaseerd op de artikelen 9 en 13 van de wet van 15 december 1980, waarbij de autoriteit over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Dit geldt niet voor de nu aangevraagde verblijfsvergunning, die steunt op artikel 61/1/9 van dezelfde wet.

Wat betreft de vermeende schending van het rechtszekerheidsbeginsel merkt de Raad op dat dit beginsel inhoudt dat de rechtsregels voorspelbaar en toegankelijk moeten zijn, zodat de rechtsonderhorige redelijkerwijs kan voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling op het moment van uitvoering zal hebben (zie C.C., nr. 36/90 van 22 november 1990).

In dit geval verwijst de Raad naar het wettelijke kader zoals eerder uiteengezet in punt as 3.1, waaruit blijkt dat het toepasselijke recht op de situatie van verzoekende partij, als aanvrager van een verblijfsvergunning op basis van artikel 61/1/9 van de wet van 15 december 1980, daadwerkelijk voldoet aan de eisen van voorspelbaarheid en toegankelijkheid. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om te stellen dat het rechtszekerheidsbeginsel in deze zou zijn geschonden.

De Raad stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat de eerste grond van de bestreden beslissing, gebaseerd op punt 2° van artikel 61/1/9, §2 van de wet van 15 december 1980, gegrond is en op zichzelf reeds voldoende is om de bestreden beslissing te rechtvaardigen. Het is daarom niet nodig om verder in te gaan op de argumentatie van verzoekende partij met betrekking tot de andere grond gebaseerd op artikel 61/1/9, §2, 4°, van de wet van 15 december 1980.