Samenvatting
In casu heeft de verweerder geoordeeld dat de verzoekende partij niet heeft kunnen overtuigen dat in haar situatie bijzondere humanitaire elementen voorhanden zijn die de afgifte van het gevraagde visum rechtvaardigen.
In het derde middel viseert de verzoekende partij volgende motieven uit de bestreden beslissing:
“Betrokkene legt geen gelegaliseerde geboorteakte, noch een akte van celibaat voor (haar verklaring op erewoord is geen wettelijk bewijs en volgens haar verklaringen is ze wel “religieus gehuwd” geweest) en bewijst ook niet familiaal geïsoleerd te zijn in het land van herkomst. Er werd immers ook geen enkel bewijs (buiten de verklaringen) van enige verwantschap aangebracht met de zus die zij wenst te vervoegen. Betrokkene kan zich daarom niet beroepen op een recht van verderzetting van het gezinsleven/behoud eenheid van gezin, gelet dat de familiale levensomstandigheden hier toch zeer onduidelijk zijn. Bovendien verblijft de referentiepersoon volgens de gegevens uit het rijksregister reeds samen met haar ouders, drie zussen en een broer op hetzelfde adres en lijkt het weinig waarschijnlijk dat betrokkene zich daar ook zou kunnen vestigen.”
Verzoekende partij stelt zich de vraag waarop de verwerende partij zich baseert om het weinig waarschijnlijk te vinden dat zij geen onderdak zou kunnen krijgen bij haar familie. Verzoekende partij verwijst naar een schrijven van haar sociaal assistente gericht aan het bureau lang verblijf van de Dienst Vreemdelingenzaken van 5 april 2023 waarin deze aangeeft dat de familie in België verhuisd is naar een huis met vier slaapkamers en de familie er naar uitkijkt om verzoekende partij te ontvangen (zie bijlage 18 bij het verzoekschrift). Verzoekende partij verwijst tevens naar het addendum van de huurovereenkomst van de heer H.A. en mevrouw T.H., personen die zij aanduidt als zijnde haar ouders met betrekking tot een woning gelegen in België waaruit blijkt dat de woning mag bewoond worden door acht personen (zie stuk 24 bij het verzoekschrift).
De Raad treedt verzoekende partij bij dat de stelling in de bestreden beslissing dat nu de referentiepersoon reeds samenwoont met beide ouders, drie zussen en één broer op hetzelfde adres, het weinig waarschijnlijk is dat verzoekende partij zich daar ook zou kunnen vestigen een loutere veronderstelling betreft. Waar de gemachtigde in de bestreden beslissing aannames en veronderstellingen formuleert, blijkt niet dat de verweerder op zorgvuldige wijze een beoordeling heeft gemaakt van de voorliggende visumaanvraag.
Verzoekende partij viseert verder volgend motief uit de bestreden beslissing:
“Zij riskeert een mensonterende behandeling als zij teruggestuurd zou worden naar Afghanistan. Een leven voor alleenstaande vrouwen is in Afghanistan onmogelijk. Om deze beweringen te staven worden artikelen van het VRT nieuws, De morgen en De standaard voorgelegd. Het is niet onredelijk om van betrokkene te eisen dat zij op zijn minst een begin van persoonlijk bewijs dient te leveren.”
Verzoekende partij betoogt dat verschillende gezaghebbende internationale bronnen verslag doen over de zeer precaire situatie van vrouwen in Afghanistan in die mate dat alle individuele vrouwen daardoor geraakt worden. Verzoekende partij benadrukt dat een persoonlijk bewijs leveren in die zin niet nodig is. In de bestreden beslissing wordt niet betwist dat verzoekende partij een vrouw is en zij de Afghaanse nationaliteit heeft.
In het kader van haar visumaanvraag heeft verzoekende partij verschillende stukken voorgelegd in verband met de restricties die vrouwen worden opgelegd door de taliban na de machtsovername. In de bestreden beslissing wordt de inhoud van de door verzoekende partij bijgebrachte stukken niet in vraag gesteld.
Het is in het licht van deze gegevens dan ook onjuist en kennelijk onredelijk om te stellen dat het “niet onredelijk (is) om van betrokkene te eisen dat zij op zijn minst een begin van persoonlijk bewijs dient te leveren”. Gelet op het voorgaande kan de verzoekende partij worden bijgetreden waar zij argumenteert dat het niet-betwiste feit dat zij een vrouw is, die de Afghaanse nationaliteit heeft, voldoende is om aan te nemen dat de krantenartikelen over vrouwen in Afghanistan ook op haar van toepassing zijn.
De motieven van de bestreden beslissing geven derhalve blijk van een incorrecte en onredelijke beoordeling van de door de verzoekende partij aangehaalde elementen.
De motieven in de bestreden beslissing over de socio-economische moeilijkheden die de verzoekende partij ervaart alsook waar verderop in de bestreden akte op algemene wijze wordt verwezen naar een sterke afname van het conflict-gerelateerd geweld door het verdwijnen van belangrijke actoren in het conflict met de machtsovername van de taliban, houden geen verband met en zijn dan ook niet relevant ten aanzien van de in de aanvraag aangehaalde vrijheidsbeperkingen voor vrouwen na de machtsovername door de taliban in Afghanistan.
Verzoekende partij betwist niet dat zij “geen gelegaliseerde geboorteakte” heeft voorgelegd. Verzoekster voert aan dat zij geen gelegaliseerde geboorteakte kan voorleggen en zij verwijst naar de informatie op de website van diplomatie Belgium.
De verzoekende partij kan worden bijgetreden dat uit informatie afkomstig van de Belgische autoriteiten blijkt dat de Belgische ambassade in Pakistan geen Afghaanse documenten legaliseert. Het kan de verzoekende partij dan ook niet worden aangewreven dat zij geen gelegaliseerde geboorteakte heeft voorgelegd. Bovendien blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat zij wel een geldig Afghaans paspoort heeft neergelegd, alsook een vertaalde en gelegaliseerde Afghaanse taskara.
Zo de verwerende partij twijfelt aan de verwantschap staat het haar uiteraard vrij om een DNA-test op te leggen.
Wat betreft de akte van celibaat kan de verzoekende partij gevolgd worden waar zij stelt dat doorgaans een verklaring op eer kan volstaan. Zij verwijst hiervoor naar een e-mail van 27 april 2020 met betrekking tot haar zus M., waarbij er werd aangegeven dat voor het bewijs van ongehuwde staat (gezien zij illegaal is in Iran) een gedateerde en ondertekende verklaring op eer volstaat.
Gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet wordt een schending van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel aangetoond.