Samenvatting
De Raad wijst erop dat uit het samenwoonstverslag blijkt dat verzoeker de kans heeft gekregen om uit leggen waarom hij niet samenwoont met zijn echtgenote. De enige verklaring die verzoeker geeft is dat hij en zijn echtgenote in een echtscheiding zitten sinds november 2009. Verzoeker maakt geen melding van tijdelijke huwelijksproblemen en geeft ook niet aan dat hij onder één van de uitzonderingsvoorwaarden van artikel 42quater, §4 Vw. valt. De Raad stelt vast dat verzoeker in casu terecht opmerkt dat een effectieve en duurzame vorm van samenwonen niet noodzakelijk is maar een minimale echtelijke relatie voldoende is. De Raad wijst erop dat verzoeker zelf verklaart dat een echtscheidingsprocedure is opgestart en hierdoor kan verzoeker niet op redelijke wijze beweren dat er nog sprake is van een minimale echtelijke relatie. De Raad oordeelt dat verweerder rekening heeft gehouden met de concrete omstandigheden die verzoeker heeft toegelicht tijdens de samenwoonstcontrole. De Raad is van oordeel dat verweerder op kennelijk redelijke wijze heeft geoordeeld dat de gegevens uit de samenwoonstcontrole voldoende waren om de bestreden beslissing te treffen. Een schending van artikel 42quater Vw., van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de hoorplicht wordt niet aangetoond. Verzoeker voert de schending van het recht op privéleven, vervat in artikel 8 EVRM aan. Hierbij dient te worden nagegaan of de bestreden beslissing een juist evenwicht eerbiedigt tussen de belangen van de verzoeker met betrekking tot eerbied voor zijn privéleven en de belangen van de Belgische staat met betrekking tot de openbare orde. Wat de belangenafweging betreft, wijst de Raad erop dat verweerder op zorgvuldige en redelijke wijze heeft beslist een einde te stellen aan verzoekers verblijf, gezien er geen gezamenlijke vestiging meer is met zijn echtgenote in functie van wie hij zijn verblijfsrecht had verkregen. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing geen absoluut verbod inhoudt om het Belgisch gr