Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 49.394 - 12-10-2010

Samenvatting

De verzoekers stellen dat de verweerder in de eerste bestreden beslissing de financiële toegankelijkheid van behandelingen in Polen niet heeft onderzocht. Uit de motivering blijkt dat de verweerder wel de mogelijkheid en toegankelijkheid tot de medische zorgen en behandeling in Polen heeft onderzocht. De bestreden beslissing stelt vast dat de medische zorgen en behandeling in Polen volledig worden terugbetaald, dat ook ngo’s medische hulp aanbieden en er wordt verwezen naar het rapport van de Europese Commissie van maart 2008. Dit gaat uitgebreid in op de financiële toegankelijkheid van medische zorgen. Verzoekers brengen geen concrete gegevens aan waaruit zou blijken dat er een probleem is met de medische zorg in Polen. De verzoekers tonen niet aan dat het motief van de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekers dienden op 4 september 2009 een aanvraag in op basis van artikel 9ter Vw. Zij verwijzen hierbij uitdrukkelijk naar de medische problemen van de tweede verzoekster en voegen medische attesten met betrekking tot tweede verzoekster bij. Op 8 juni dienen verzoekers nog een medisch attest in op naam van de dochter L. Zij verwijzen naar de aanvraag van 4 september maar voegen dus een attest bij dat echter de medische situatie betreft van de dochter L. De verweerder stelt terecht dat de verzoekers geen toelichting hebben gegeven of de 9ter-aanvraag al dan niet werd uitgebreid tot de dochter.De verzoekers tonen niet aan dat de conclusie van de ambtenaar-geneesheer, -dat uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat dit een ernstige of levensbedreigende aandoening met noodzaak tot behandeling betreft-, wijzigt afhankelijk van de persoon ten aanzien van wie het attest wordt onderzocht. De verweerder stelt terecht dat de motivering in verband met het medisch attest dezelfde zou zijn of zij nu betrekking heeft op de moeder, of op de dochter. De ambtenaar-geneesheer is de gezondheidstoestand van zowel de moeder als de dochter nagegaan en heeft beoordeeld of deze voldoende ernstig is in de zin van artikel 9ter Vw. en of verdere onderzoeken en behandelingen in Polen aanwezig zijn. De verweerder heeft op basis van dit advies het verblijf geweigerd. De verweerder is alle pertinente gegevens nagegaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen. De aangehaalde elementen werden onderzocht maar niet weerhouden. De beslissing steunt op dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven die steun vinden in het administratief dossier. Een schending van de motiveringsplicht wordt niet aangetoond.De verweerder heeft de beslissing genomen op basis van allen gegevens van het dossier en alle dienstige stukken. Het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden. De verweerder heeft beslist op basis van de objectieve gegevens uit het dossier en in alle redelijkheid. Het redelijkheidsbeginsel is niet geschonden.Met betrekking tot de schending van artikel 3 EVRM moeten verzoekers doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden zijn om aan te nemen dat zij in het land waarnaar zij mogen worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico lopen te worden blootgesteld aan foltering en mensonterende behandeling. Bescherming via artikel 3 EVRM zal slechts uitzonderlijk toepassing vinden. Het is aan verzoekers om hun beweringen te staven met een begin van bewijs. Zij moeten hiervoor concrete feiten aanbrengen. De motivering van de ongegrondverklaring van de 9ter-aanvraag gaat uitgebreid in op de medische problematiek van de tweede verzoeksters en stelt vast dat een terugkeer naar Polen mogelijk is. Het is dus niet kennelijk onredelijk dat de verweerder bij de weigering van verblijf (bijlage 26quater) de motivering met betrekking tot de gezondheidstoestand beperkt tot een verwijzing naar de motieven van de beslissing betreffende de 9ter-aanvraag. De verzoeker slaagde er niet in om schending van de motiveringsplicht, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel aan te tonen. Het volstaat dus niet om naar het eerste middel te verwijzen om schending van artikel 3 EVRM aan te tonen. De verzoekers brengen ook gen elementen naar voor die doen blijken van een gegronde vrees in de zin van artikel 3 EVRM en tonen geen schending aan. De soevereiniteitsclausule uit artikel 3, § 2 Dublin-II-verordening voorziet in geen enkele verplichting. Het motief van de beslissing dat het volgen van de keuze door de tweede verzoekster van het land waar zij asiel wil vragen, neerkomt op het ontkennen van het objectief dat Europa voor ogen heeft in de Dublin-II-Verordening en dat Polen als volwaardig lid van de Europese Unie en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden zodat er geen reden bestaat om aan te nemen dat de tweede verzoekster voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen zou genieten in Polen, is niet kennelijk onredelijk noch onjuist. Een schending van de motiveringsplicht is niet aangetoond.Verzoekers dienen een met betrekking tot hun dochter E. een aantal niet vertaalde medische attesten in. Op 4 september 2009 dienen verzoekers een 9ter-aanvraag in. In deze aanvraag wordt enkel verwezen naar de medische problemen van de tweede verzoekster. Op 8 juni 2010 wordt deze aangevuld met een medisch attest dat enkel betrekking heeft op hun dochter L. Nergens in het dossier wordt verwezen zij naar de medische problemen van hun dochter E. Verzoekers moeten zelf de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen en dienen zelf de nodige stukken voor te leggen ter ondersteuning van hun 9ter-aanvraag. Verzoekers verwijzen nu naar allerlei stukken en gegevens waar zij nooit eerder melding van hebben gemaakt in hun aanvraag om machtiging tot verblijf. De ambtenaar-geneesheer kan enkel onderzoek voeren op basis van de gekende en voorgebrachte stukken. De verzoekers verwijzen bij hun aanvraag niet naar die medische problemen van hun dochter E., noch dienen zij medische attesten aan in verband met hun dochter E. De ambtenaar-geneesheer kan dus geen gebrek aan onderzoek verweten worden. De verweerder heeft ook rekening gehouden met de door verzoekers aangehaalde ‘asielmotieven’ en met de onvertaalde attesten van Polen over hun dochter E. Verzoekers verwijten de verweerder geen diepgaand onderzoek te hebben gevoerd terwijl verzoekers hebben nagelaten te wijzen op de medische problemen en medische attesten van hun dochter E. Het staat niet vast dat de motieven van de tweede en derde bestreden beslissing kennelijk onredelijk zijn. Het redelijkheidsbeginsel is niet geschonden.De verweerder kan niet verweten worden geen rekening te hebben gehouden met een medisch attest van 8 juli 2010, daar waar de bestreden beslissing dateert van 1 juli 2010. Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat de administratie bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken. De verzoekers tonen niet aan dat de verweerder niet op basis van correcte feitenvinding tot zijn conclusie is gekomen dat de Poolse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van hun asielverzoek. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.