Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 50.797 - 5-11-2010

Samenvatting

De argumenten van de motivering van de bestreden beslissing kunnen niet weerhouden worden, omdat die ofwel niet of weinig pertinent zijn, ofwel omdat die aannemelijke verduidelijkingen krijgen bij lezing van het administratief dossier en van het verzoek. De verzoekende partij legt verschillende stukken voor die komen uit de asielprocedure van haar broer wiens situatie als erkende vluchteling duidelijk is. De motivering van de bestreden beslissing kan niet gevolgd worden met betrekking tot het vonnis uitgesproken door het derde hof van assisen van Malatya dat de verzoeker veroordeelt tot een gevangenisstraf van tien maanden, tot het tijdelijk verlies van de burgerrechten en tot het betalen van de gerechtskosten. De verwerende partij heeft ernstige twijfels met betrekking tot de echtheid van het vonnis wegens het ontbreken van een handtekening op de voorgelegde kopie en de afwezigheid van een enveloppe waarin de kopie zou gezeten hebben. Bij deze twijfel wordt niet dieper ingegaan op de gangbare regels en juridische praktijken in Turkije wat betreft kopieën van vonnissen. Er kan dus niet worden besloten dat ernstige twijfels kunnen worden opgeworpen over dit stuk. De twijfel moet in elk geval in het voordeel kunnen spelen van de verzoeker. Het kan overwogen worden dat het voldoende vaststaat dat de verzoeker het voorwerp heeft uitgemaakt van een arrestatie en een veroordeling wegens zijn politieke overtuigingen. De verwerende partij trekt niet in twijfel dat de verzoeker zijn militaire dienstplicht niet heeft vervuld en dat de familie van de verzoeker onder druk werd gezet. De verzoeker verwijst naar een artikel uit de Turkse pers dat als bijlage bij de aanvraag werd gevoegd en steunt hierop om te bevestigen dat er onlangs tijdens aanvaringen tussen de militairen en de PKK in de omgeving van Karacoçan burgers zijn gedood. Verder preciseert de verzoeker dat er een oude vrouw, haar kleinzoon en twee militairen van Koerdische origine ook de dood vonden tijdens deze gebeurtenissen. In dit kader, kan de verzoeker aanspraak maken op de status van vluchteling op basis van cumulatieve gronden. De combinatie van de veroordeling uitgesproken tegen de verzoeker, de situatie van ongehoorzaamheid en de erkenning als vluchteling van zijn broer door Nederland maken dat niet kan worden uitgesloten dat de verzoeker terecht vreest voor vervolging door de Turkse autoriteiten. Het is niet onredelijk om te denken dat de besproken vervolgingen bij een terugkeer naar Turkije zich opnieuw zullen voordoen. De Raad ziet geen enkele serieuze reden om te denken dat de verzoeker schuldig zou zijn aan misdaden of handelingen in de zin van artikel 1, F Conventie van Genève. Het staat vast dat de verzoeker zijn land heeft verlaten en er weg blijf uit vrees in de zin van artikel 1, A Vluchtelingenverdrag. De verzoeker overweegt dat de vrees gebaseerd is op zijn etnische origine en zijn politieke meningen in de zin van artikel 1, A, § 2 Conventie van Genève. De hoedanigheid van vluchteling wordt toegekend aan de verzoekende partij.