Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 53.640 - 22-12-2010

Samenvatting

Enerzijds stelt de Raad vast dat de gemachtigde van de staatssecretaris motiveert dat de verzoekende partij noch een periode van wettig verblijf heeft gehad voor 18 maart 2008 noch voor deze datum geloofwaardige pogingen heeft ondernomen om een wettig verblijf te bekomen en dat de verzoekende partij dit niet aantoont noch dat er in het administratief dossier aanwijzingen van te vinden zijn. Anderzijds motiveert de gemachtigde van de staatssecretaris dat de getuigenis dat de verzoekende partij zich in januari 2008 geïnformeerd heeft bij vzw Link en dat deze vzw haar heeft aangeraden te wachten op een akkoord inzake regularisatie, niet als een ernstige geloofwaardige poging wordt beschouwd, Uit het criterium 2.8A van de vernietigde instructie en uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij ondermeer moet aantonen dat zij een periode van wettig verblijf in België heeft gehad voor 18 maart 2008 of voor 18 maart 2008 'geloofwaardige pogingen heeft ondernomen om in België een wettig verblijf te bekomen'. Bij de beoordeling van dit element in de bestreden beslissing heeft de gemachtigde van de staatssecretaris echter een voorwaarde toegevoegd, met name dat de 'geloofwaardige pogingen' tevens als 'ernstig' moeten kunnen worden beschouwd. De getuigenis van de verzoekende partij wordt niet aanvaard omwille van het feit dat dit geen 'ernstige' geloofwaardige poging is terwijl enkel een geloofwaardige poging wordt vooropgesteld in de vernietigde instructie. De gemachtigde van de staatssecretaris is onredelijk tot haar besluit gekomen. Het onderdeel van het middel waarbij een schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, is gegrond.