Samenvatting
Uit artikel 12 Vreemdelingenwet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was dat de vreemdeling die beschikte over een visum type D (gezinshereniging) en die zich bij het gemeentebestuur aanmeldde dadelijk in het bezit zou gesteld worden van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister De beslissing tot toelating tot een verblijf werd immers voor zijn aankomst in het Rijk reeds genomen. Artikel 25/3, § 2, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 bepaalt dan ook dat indien de vreemdeling die naar België komt in het bezit is van een toelating tot verblijf krachtens artikel 10 van de Vreemdelingenwet het gemeentebestuur hem in het vreemdelingenregister dient in te schrijven en hem een bewijs van inschrijving in dit register dient af te geven Ingevolge de invoering van de elektronische verblijfskaart is het in de praktijk niet meer mogelijk om de vreemdeling die zich aanmeldt met een visum type D (gezinshereniging) onmiddellijk in het bezit te stellen van de verblijfstitel (A-kaart) waaruit blijkt dat hij tot een verblijf van beperkte duur toegelaten is De betrokken vreemdeling wordt, zoals in casu, daarom in eerste instantie, overeenkomstig artikel 119 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, in het bezit gesteld van een bijlage 15. Artikel 11, § 2, tweede lid van de Vreemdelingenwet voorziet dat de termijn van twee jaar waarbinnen een verblijfsrecht kan beëindigd worden ingaat na "de afgifte van een verblijfstitel”. Gelet op de door de wetgever gebruikte bewoordingen kan dan ook niet gesteld worden dat voormelde termijn enkel zou ingaan op het ogenblik van de afgifte van een A-kaart en niet op het ogenblik van de afgifte van andere verblijfsdocumenten waaruit de inschrijving in het vreemdelingenregister blijkt en die werden afgegeven om de periode te overbruggen die vereist is voor het aanmaken van een elektronische verblijfskaart. Ook uit de memorie van toelichting bij de wet waarbij voormelde termijnbepaling in de Vreemdelingenwet werd inge