Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 61.630 - 12-05-2011

Samenvatting

De commissaris-generaal onderzoekt en beoordeelt de situatie ten aanzien van Polen waar de verzoekende partij de status van ‘permission for tolerated stay’ werd toegekend aan verzoeker op 21 maart 2006. Artikel 48/4, § 1 Vw., dat de omzetting van artikel 2, e) Procedurerichtlijn beoogt, kent geen internrechtelijke begripsomschrijving van het begrip ‘land van herkomst’. Dit begrip moet conform de richtlijn geïnterpreteerd worden als ‘het land of de landen van de nationaliteit of, voor staatlozen, van de vroegere gewone verblijfplaats’. De nood aan bescherming geboden door artikel 48/3 en 48/4 Vw. moet getoetst worden ten aanzien van het land of de landen van de nationaliteit van de verzoekende partij of, voor staatlozen, van de vroegere gewone verblijfplaats. Dat de verzoekende partij in een ‘veilig derde land’ dan wel in een ‘eerste land van asiel’ heeft verbleven of beschikt over een ‘reëel vestigingsalternatief’, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Deze begrippen vinden immers geen grondslag in de interne regelgeving. De verweerder kan zich dus niet beroepen op de preambule van de Procedurerichtlijn vermits deze enkel de achterliggende beschouwingen van de richtlijn uiteenzet en geen bindende principes bevat. De verzoekende partij die in een ander land erkend werd als vluchteling kan echter geen rechtstreeks belang doen gelden om haar asielaanvraag ook door de Belgische overheid te laten onderzoeken, tenzij zij ten aanzien van dat ander land vluchtelingenrechtelijke vrees of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 Vw. kan doen gelden. Het is niet betwist dat de verzoeker de Russische nationaliteit bezit en van Tsjetsjeense origine is. Nergens blijkt dat de commissaris-generaal de gegrondheid van de aanvraag ten aanzien van de Russische Federatie onderzocht. Dat de verzoeker een beschermingsstatus (tijdelijke verblijfsstatus waarvan uit het rechtsplegingdossier niet blijkt of het overeenstemt met subsidiaire bescherming in overeenstemming met de bovenvermelde richtlijn) geniet in Polen doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling dat de nood aan bescherming geboden door artikel 48/3 Vw. moet getoetst worden ten aanzien van het land van nationaliteit van verzoeker. De commissaris-generaal moet het verzoek tot internationale bescherming beoordelen ten aanzien van de Russische Federatie. Dit onderzoek is niet gebeurd. In het administratief dossier is geen (landen-)informatie over de Russische Federatie voorhanden. De bestreden beslissing wordt vernietigd en teruggezonden naar het CGVS.