Samenvatting
Artikel 51/8 Vreemdelingenwet laat toe om aangebrachte gegevens aan een doorgedreven inhoudelijk onderzoek te onderwerpen. Dit sluit niet uit dat de bewijskracht van de aangebrachte elementen prima facie wordt beoordeeld. Dit artikel laat maar toe een herhaald verzoek in overweging te nemen indien er ‘ernstige aanwijzingen’ bestaan voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève of ernstige aanwijzingen van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 Vreemdelingenwet. Of een aangebracht gegeven een ‘ernstige aanwijzing’ inhoudt, hangt samen met de bewijswaarde van dit gegeven. De mogelijkheid tot prima facie beoordelen van de nieuw aangebrachte gegevens moet bekeken worden in het licht van het evenwicht tussen enerzijds een snelle procedure met als doel kennelijk onterechte asielaanvragen te weren en anderzijds de zorg om asielzoekers toch een voldoende rechtsbescherming te bieden. De bevoegdheid van de verweerder is begrensd tot de beoordeling dat het nieuwe gegeven kennelijk niet van die aard is om te besluiten dat er ernstige aanwijzingen kunnen zijn zoals hiervoor bedoeld. De verklaring van de dorpsoudsten is weliswaar nieuw in de zin dat deze voor het eerst wordt voorgelegd Maar in de bestreden beslissing wordt duidelijk aangegeven dat een dergelijk document een gesolliciteerd karakter heeft. De brief van zijn schoonbroer kan het persoonlijk karakter van zijn problematiek niet aantonen. Aan de hand van eerdere beslissingen kan onderzocht worden of de nieuwe elementen blijk kunnen geven van aanwijzingen van gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op ernstige schade. Door de relevantie van het voorgelegde stuk te onderzoeken, schendt de verweerder artikel 51/8 Vw. helemaal niet. Het is niet kennelijk onredelijk of strijdig met artikel 51/8 Vreemdelingenwet om stukken die een gebrekkige bewijswaarde hebben niet als nieuwe gegevens te beschouwen. Stukken zonder bewijswaarde kunnen immers geen aanwijzingen van het bestaan van een gegronde vrees in de zin van artikel 48/3 Vreemdelingenwet of van ernstige aanwijzingen van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 Vreemdelingenwet uitmaken. De ‘nieuwe elementen’ worden niet verworpen omdat de feiten ‘kennelijk ongegrond of bedrieglijk’ zijn. De verweerder beperkt zijn onderzoek tot de beoordeling van de vraag of de afgelegde verklaring en de aangebrachte documenten kunnen worden beschouwd als nieuwe gegevens met betrekking tot ‘tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie op het lopen van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 Vreemdelingenwet.’ Het redelijkheidsbeginsel is pas geschonden als men zich op zicht van de opgegeven motieven tevergeefs afvraagt hoe het bestuur tot die keuze is kunnen komen. Om van een schending te kunnen spreken, moet men voor een beslissing staan waarvan men na het lezen ervan ternauwernood kan geloven dat ze werkelijk is genomen. Dit is hier niet het geval. Vermits niet bewezen is dat artikel 51/8 Vreemdelingenwet geschonden is, kan verder niet worden ingezien hoe artikel 48/4 Vreemdelingenwet zou miskend zijn. Toepassing van dit artikel is immers slechts nodig voor zover nieuwe gegevens aangebracht werden die tot de toekenning van de subsidiaire bescherming konden leiden, quod non. De kritiek, gericht tegen de niet in het geding zijnde afwijzing van de vorige asielaanvraag, is niet pertinent als argument om de wettigheid van de thans bestreden beslissing te betwisten. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.