Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 73.696 - 20-01-2012

Samenvatting

Bij haar aanvraag om medische regularisatie voegde de eerste verzoekster een kopie van tweed bladzijden uit een Armeens paspoort op haar naam te staving van haar identiteit. Het paspoort werd afgeleverd op 3 september 1997 en was geldig tot 3 september 2007 en er kan niet afgeleid worden dat de geldigheidsduur van het paspoort verlegd werd. Daarom kon de verweerder oordelen dat de actuele nationaliteit niet kon worden vastgesteld aan de had van deze kopie. Nationaliteit is geen vaststaand gegeven en deze kan veranderen in de loop van een mensenleven. Nieuwe staten kunnen ontstaan, staten kunnen ophouden te bestaan, de persoon kan zijn nationaliteit verliezen of een andere verwerven. Vermits niet bleek dat het paspoort nog geldig was, het al afgeleverd werd in 1997 en er geen duidelijkheid bestaat omtrent de verschillende verblijfsplaatsen van de eerste verzoekster sindsdien, is het niet kennelijk onredelijk om te stellen dat dit stuk niet toelaat de actuele nationaliteit van eerste verzoekster met zekerheid vast te stellen. De verzoekers maakten de actuele nationaliteit ook niet duidelijk door bij de aanvraag andere bewijsstukken te voegen. Over de aangevoerde rechtspraak van de Raad volstaat het op te merken dat in de continentale rechtstraditie arresten geen precedentswaarde hebben. De verzoekers tonen niet aan dat de feitelijke omstandigheden die aanleiding gaven tot de aangebrachte rechtspraak identiek zijn aan deze in de huidige zaak. Dat de memorie van toelichting bij de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) verscheidene documenten opsomt waaronder een vervallen paspoort, die kunnen gebruikt worden om de identiteit te bewijzen, laat niet toe te besluiten dat het voorleggen van een van deze opgesomde documenten steeds volstaat om alle vier de constitutieve elementen van de identiteit aan te tonen. Uit art. 9ter, § 2 Vw. en de memorie van toelichting blijkt dat de vier cumulatieve elementen van de identiteit in de zin van artikel 9ter, § 2 Vw. steeds moeten aangetoond worden. Het is niet kennelijk onredelijk om te oordelen dat een paspoort dat, blijkens de voorgelegde stukken, reeds verscheidene jaren niet meer geldig is, niet toelaat de actuele nationaliteit vast te stellen indien niet tevens andere aanvullende bewijsstukken worden aangebracht. De verwerende partij voegt geen voorwaarde aan art. 9ter Vw. toe door te vragen dat de ‘actuele’ nationaliteit wordt aangetoond. Uit de integrale lezing van artikel 9ter Vw. blijkt dat de wetgever het aantonen van de ‘actuele’ nationaliteit vereist. Ander kan de verweerder het onderzoek ten gronde naar de ‘de behandelingsmogelijkheden en de toegankelijkheid tot behandeling in het land van herkomst’ niet doen. Indien een aanvraag om medische regularisatie niet ontvankelijk werd ingediend, dient er geen onderzoek van de medische situatie van de aanvrager te gebeuren. Dit moet pas gebeuren bij een ontvankelijke aanvraag. De uiteenzetting van de verzoekers laat niet toe te besluiten dat de verweerder een kennelijke appreciatiefout heeft gemaakt of dat artikel 9ter Vw. of de materiële motiveringsplicht is. Een kennelijke wanverhouding tussen de motivering en het dispositief van de bestreden beslissing werd niet aangetoond. Het redelijkheidsbeginsel is niet geschonden. De verzoekers stellen dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is maar tonen niet aan dat de voorwaarden van artikel 9ter Vw. voldaan werden. De gemachtigde van de staatssecretaris kan niet een regularisatieaanvraag ontvankelijk verklaren in strijd met de voorwaarden gesteld door de wetgever.Een loutere verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel laat niet toe om af te wijken art. 9 Vw. Uit de gegevens van het dossier en uit wat voorafgaat blijkt voorts dat de gemachtigde van de staatssecretaris, na een zorgvuldig onderzoek van de aanvraag op basis van een correcte feitenvinding tot zijn conclusie is gekomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.