Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 82.686 - 8-06-2012

Samenvatting

Noch uit de motivering van de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat het CGVS onderzocht heeft of men redelijkerwijs kan verwachten dat de verzoekster in een ander deel van haar herkomstland verblijft. Ook blijkt nergens uit dat het CGVS rekening heeft gehouden met de algemene omstandigheden in Turkije en met haar persoonlijke situatie zoals gelezen in artikel 48/5, § 3 Vw. Het CGVS stelt ten onrechte dat de bewijslast in dit geval bij de verzoekster ligt. De verzoekende partij verwijst naar een rapport van Human Rights Watch over de mogelijkheid van bescherming door Turkse overheid bij familiaal geweld. Hieruit blijkt dat de politie er vaak voor kiest om de familiale eenheid te bewaren en dat zij druk uitoefent op de geslagen vrouwen om het bij te leggen met hun families en eerder vrouwen terugstuurt naar hun families dan hen te helpen om bescherming te krijgen. Het gebeurt ook dat de politie hun klachten simpelweg negeert. De vrouwen aarzelen om hulp te zoeken bij de politie. Het CGVS legt geen enkele informatie voor over de toegang tot bescherming door de Turkse overheid voor vrouwen die slachtoffer zijn van intra familiaal geweld. Deze vrouw heeft een bijzonder profiel. Zij staat als vrouw alleen, heeft zware psychologische problemen die bevestigd worden in een medisch attest en is verworpen door haar familie. Gezien de omstandigheden eigen aan de zaak is het niet zeker dat de Turkse overheid echt de verzoekster kan beschermen. De feiten ter ondersteuning van de asielaanvraag worden niet in twijfel getrokken door de verwerende partij, zijn coherent en waarachtig. Er zijn voldoende aanwijzingen voor de gegronde vrees om geen voldoende bescherming te kunnen krijgen van de Turkse overheid. Zij krijgt het voordeel van de twijfel. Ze vreest terecht om vervolgd te worden als lid van de sociale groep van Turkse vrouwen.