Samenvatting
Ter zitting wijst de verzoekende partij op twee rapporten in het dossier. Het gaat om rapporten van verhoor door de diensten van de verwerende partij getiteld ‘vraag tot ten laste neming’ van respectievelijk 13 januari 2012 en 23 mei 2012. Zij wijst op de exacte gelijkenis tussen beide rapporten afgezien van de datum. Zij beticht het document van 23 mei van valsheid. Zij kan niet geloven dat de verzoekster, voorzien van brieven van 10 en 18 mei 2012 die staat maken van haar doortocht in Spanje, deze doortocht zou ontkend hebben als antwoord op de gestelde vragen. Ze wijst erop dat de verzoeker analfabeet is. Zij besluit daaruit dat, in het licht van de concrete elementen over hetgeen verzoeker heeft meegemaakt in Spanje, er geen onderzoek van het risico op schending van artikel 3 EVRM bij een gedwongen terugkeer naar Spanje heeft plaatsgevonden. Het ontbreekt het stuk van 23 mei 2012 aan elke bewijskracht. Rekening houdend met de chronologie van de documenten, is het duidelijk dat de aangeklaagde tegenstellingen de bewijskracht van het rapport van 23 mei 2012 schaden en niet de bewijskracht van die twee brieven. Het is niet duidelijk waarom de verzoeker zich aan een nieuw verhoor onderworpen heeft als hij geen nieuwe elementen wou aanbrengen. De formele gelijkenis tussen het rapport van 13 januari en dat van 23 mei ondersteunt de these dat het rapport van 23 mei zijn verklaringen niet correct weergeeft. Het lijkt erop dat de verzoeker zijn redenen voor vrees voor onmenselijke en vernederende behandeling bij terugkeer naar Spanje heeft kenbaar gemaakt maar dat de verwerende partij deze vrees niet nauwkeurig heeft onderzocht. Dat de brieven van 10 en 18 mei in overweging genomen worden en dat erop geantwoord wordt in de bestreden beslissing, verhindert niet dat de verzoekende partij de bewijskracht betwist. Voormelde tegenstelling maakt immers de brieven van 10 en 18 mei ongeloofwaardig. Op het eerste gezicht heeft de verwerende partij de zaak niet zo nauwkeurig mogelijk onderzocht in functie van de omstandigheden die ze kende of moest kennen. Het middel op basis van schending van artikel 3 EVRM lijkt ernstig. Het middel in het licht van artikel 3 EVRM werd als ernstig beoordeeld. Dit brengt met zich mee dat de uitvoering van de verwijderingsmaatregel de verzoeker zou blootstellen aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doordat zijn effectief recht op basis van artikel 3 EVRM in gevaar zou komen.