Samenvatting
De Vreemdelingenwet licht het begrip ‘werknemer’ niet nader toe. Voor de invulling moeten we dus kijken naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. Volgens die rechtspraak moet het begrip ruim worden uitgelegd. Volgens het arrest Lawrie-Blum van 3 juli 1986 (zaak 66/85) moet uitgegaan worden van objectieve criteria die, gelet op de rechten en plichten van de betrokkenen kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding. Het hoofdkenmerk van de verhouding is dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning krijgt. Uit het arrest Levin van 23 maart 1982 (zaak 53/81) volgt dat het vrij verkeer van werknemers enkel geldt voor het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid. Iemand die werkt onder artikel 60 OCMW-wet levert prestaties in het kader van een ondergeschiktheidsverhouding en als tegensprestatie krijgt hij hiervoor een beloning. Het hoofdkenmerk is dus aanwezig. Tewerkstelling overeenkomstig artikel 60, § 7 van de OCMW-wet is een vorm van maatschappelijke dienstverlening. Hierbij bezorgt het OCMW een baan aan iemand die uit de arbeidsmarkt is gestapt of gevallen, met als doel deze terug in te schakelen in het stelsel van de sociale zekerheid en in het arbeidsproces. Het OCMW is altijd de juridische werkgever. Het centrum kan de persoon in zijn eigen diensten tewerkstellen of ter beschikking stellen van een derde werkgever. Het ontvangt een subsidie van de federale overheid voor de duur van de tewerkstelling en geniet als werkgever van een vrijstelling van werkgeversbijdragen. In het al Test Betray van 31 mei 1989 (zaak 344/87) stelt het Hof van Justitie dat de vraag of iemand als werknemer kan beschouwd worden niet afhankelijk is van de omstandigheid dat de productiviteit van de tewerkgestelde gering is als volgt van die regeling, noch van de herkomst van de middelen waaruit het loon wordt betaald. Zo stelt het Hof dat er niet wordt afgedaan aan de hoedanigheid van werknemer door het feit dat de beloning goeddeels uit overheidssubsidies wordt betaald. In hetzelfde arrest stelt het Hof echter dat wanneer de betrokken arbeid enkel een middel is ter revalidatie of wederopneming van de betrokkenen in het arbeidsproces en wanneer de - aan ieders lichamelijke en geestelijke mogelijkheden aangepaste - betaalde arbeid tot doel heeft het hun mogelijk te maken na kortere of langere tijd weer gewone arbeid te vinden of een zo normaal mogelijk leven te leiden, deze werkzaamheid niet ais reële en daadwerkelijke arbeid met economische waarde kan worden beschouwd. Zoals reeds werd vooropgesteld, is de tewerkstelling in het kader van artikel 60, § 7 van de OCMW-wet erop gericht werk te bieden aan personen die uit de arbeidsmarkt zijn gestapt of gevallen met als doel deze terug in te schakelen in het stelsel van sociale zekerheid en in het arbeidsproces. Zulke tewerkstelling is volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie geen reële en daadwerkelijke arbeid met economische waarde. De verzoeker wordt niet als werknemer beschouwd.