Rechtbank van eerste aanleg Brussel - 2025/71/C - 24-07-2025

Samenvatting

Het feit dat eisers zich in Gaza bevinden heeft niet tot gevolg dat de Belgische Staat of de kortgedingrechter niet over de vereiste rechtsmacht beschikt. Het recht op gezinshereniging in de zin van artikel 8 EVRM moet in hoofde van alle betrokkenen worden beoordeeld. Doordat de tussenkomende partij de Belgische nationaliteit heeft en zich in België bevindt, is er een aanknopingspunt die de rechtsmacht van de Belgische overheden rechtvaardigt. Bovendien is de absolute vereiste dat de visumaanvraag gebeurt met persoonlijke verschijning een beslissing van de Belgische overheid.

Eisers laten afdoende spoedeisendheid blijken gezien ze zich beroepen op artikel 8 EVRM en hun recht om minstens de mogelijkheid te hebben om een humanitair visum aan te vragen. De gekende, dramatische situatie in Gaza wordt daarbij in acht genomen.
De kortgedingrechter wijst erop dat het Hof van Justitie eerder een uitzondering aanvaardde in een geval van gezinshereniging waarin het onmogelijk of buitengewoon moeilijk was om een visumaanvraag in te dienen met persoonlijke verschijning, onverminderd de mogelijkheid om in een later stadium van de procedure een persoonlijke verschijning te vereisen.

Hoewel de kortgedingrechter niet ten gronde oordeelt over de visumaanvraag, is er voldoende schijn van recht dat eisers zich minstens kunnen beroepen op het recht om een humanitair visum aan te vragen rekening houdend met de ruime invulling van het begrip ‘gezin’ onder artikel 8 EVRM.

De kortgedingrechter benadrukt geen uitspraak te kunnen doen over de verdere beoordeling van het dossier. De kortgedingrechter beslist evenmin over de vraag van welke documenten eisers kunnen worden vrijgesteld bij de visumaanvraag.

Meer info