Beperkt verblijfsrecht

De eerste vijf jaar heb je een verblijfsrecht van beperkte duur. 

Heb je de procedure in het buitenland opgestart dan begint de termijn van vijf jaar te lopen vanaf de afgifte van de eerste A kaart. Als je van de gemeente eerst een bijlage 15 kreeg, nog voor de afgifte van de A kaart, dan start de termijn vanaf de datum op de bijlage 15.

Heb je de aanvraag in België ingediend, dan begint de periode van vijf jaar te lopen vanaf de datum van de indiening van de aanvraag (bijlage 15bis).

Je zal jaarlijks de vernieuwing moeten vragen van je A kaart en dit tussen de 60ste en 30ste dag vóór de vervaldatum van je verblijfsvergunning.

Bij elke aanvraag voor een vernieuwing moet je bewijzen dat je (nog steeds) voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging.

In de praktijk rijzen heel wat vragen rond de verplichting tot samenwoonst wanneer het kind meerderjarig wordt tijdens de periode van vijf jaar beperkt verblijf. Het loutere feit dat je kind meerderjarig is geworden, betekent niet dat DVZ een einde gaat maken aan je verblijfsrecht. Wanneer jij en de NBMV nog samenwonen op hetzelfde adres of je kind op kot zit (gekoppeld aan hogere studies), is voldaan aan de samenwoonstverplichting.

Is je ondertussen meerderjarige geworden kind inmiddels apart gaan wonen, is het belangrijk om proactief aan te tonen dat er nog sprake is van een werkelijk gezinsleven. Als dit het geval is, zou je - volgens ons - je verblijf moeten kunnenbehouden op basis van art. 10, §1, 7° Vw (= verlenging A kaart voor één jaar). De praktijk is echter anders. We zien dat DVZ naast het werkelijk gezinsleven ook je integratie-inspanningen mee in aanmerking zal nemen. Rekening houdend met de duur van je verblijf op het Belgisch grondgebied en je banden met het land van herkomst, kan DVZ beslissen om je A kaart opnieuw met één jaar te verlengen. Het gaat hier dan niet meer om een A kaart in het kader van gezinshereniging maar om een discretionaire beslissing van DVZ. Bijgevolg spelen de voorwaarden voor gezinshereniging niet meer bij verdere verlengingen. Om te weten onder welke voorwaarden je A kaart opnieuw verlengd kan worden, moet je naar de beslissing van DVZ kijken.

Dit alles heeft ook gevolgen voor de mogelijkheid om over te schakelen naar een onbeperkt verblijf. Aangezien je niet langer in het bezit bent van een A kaart in het kader van gezinshereniging, kan je geen beroep meer doen op art. 13, §1, derde lid Vw. DVZ kan wel discretionair beslissen om je na vijf jaar beperkt verblijf toch een onbeperkt verblijfsrecht toe te kennen.

DVZ kan twee soorten controles verrichten :

  • voor de vernieuwing van elke A kaart en bij de overgang van de laatste A kaart naar de B kaart kan DVZ controleren of je nog steeds voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging (bv. een samenwoonstverslag door de wijkagent)
  • daarnaast kan DVZ op elk moment controles verrichten bij gegronde vermoedens van fraude, schijnerkenning.

Als na een controle blijkt dat je niet (meer) voldoet aan een of meerdere voorwaarden, kan DVZ een einde maken aan je verblijfsrecht.

Dat kan alleen in een van de volgende gevallen:

  • je voldoet niet meer aan de voorwaarden voor gezinshereniging. Bijvoorbeeld: er geldt voor jou een bestaansmiddelenvoorwaarde en de referentiepersoon heeft geen voldoende bestaansmiddelen meer. DVZ moet daarbij wel rekening houden met eventuele inkomsten van andere gezinsleden ;
  • jij en je kind hebben geen werkelijk gezinsleven meer;
  • de referentiepersoon pleegde fraude. Daarnaast kan DVZ je verblijfsrecht retroactief intrekken als je zelf fraude pleegde die bijgedragen heeft tot de erkenning van je verblijfsrecht. ;
  • je bent een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Je gedrag moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging zijn voor een fundamenteel belang van de samenleving;
  • DVZ beëindigde of trok het verblijfsrecht in van de erkend vluchteling of staatloze die je vervoegde, desgevallend omdat het CGVS de status van internationale bescherming heeft opgeheven of ingetrokken of omdat de erkend vluchteling of staatloze (die je vervoegde) er zelf afstand van deed.

Je kan naar aanleiding van een verblijfsbeëindiging een bevel om het grondgebied te verlaten of als je minderjarig bent een bevel tot terugbrenging krijgen.

Indien DVZ overweegt om jouw verblijfsrecht te beëindigen, zullen zij in principe eerst een schrijven aan bezorgen via de gemeente, waarin zij vragen om eventuele relevante informatie voor te leggen die het nemen van de beslissing kan verhinderen of beïnvloeden. Op de hoorplicht bestaan wel een aantal wettelijke uitzonderingen

Doorgaans krijg je 15 dagen de tijd vanaf de ontvangst van de brief van de minister of DVZ om relevante informatie schriftelijk over te maken. Heb je belangrijke informatie over je banden met België? Of over je gezinssituatie? Dan meld je dat best in je antwoord, samen met de bewijzen hiervan.

DVZ moet  altijd rekening houden met al jouw individuele omstandigheden, zoals:

  • de aard en de hechtheid van je gezinsband
  • de duur van je verblijf in België
  • het bestaan van familiale, culturele of sociale banden met je land van herkomst

Als je verblijfsrecht beëindigd wordt om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, moet DVZ rekening houden met:

  • de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid
  • het gevaar dat van je uitgaat 
  • de duur van je verblijf in België
  • het bestaan van banden met België
  • het ontbreken van banden met je land van oorsprong
  • je leeftijd
  • de gevolgen voor jou en je gezinsleden

 

Als je niet langer samenwoont met de referentiepersoon kan DVZ een einde maken aan je verblijfsrecht. Dit kan tenzij je het slachtoffer bent van intrafamiliaal geweld. Dan is er in de wet een bijzondere regeling om het slachtoffer te beschermen.

DVZ moet  'rekening houden' met personen die slachtoffer zijn van geweld in de familie. Hier heeft DVZ geen gebonden maar een discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat DVZ meer vrijheid heeft bij het nemen van zijn beslissing (binnen redelijke grenzen). Het Grondwettelijk Hof oordeelde echter dat DVZ, in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid, altijd rekening moet houden met het element ‘huiselijk geweld’ bij een beslissing om het verblijfsrecht te beëindigen van een familielid, slachtoffer van intrafamiliaal geweld.   

  1. Het begrip "geweld in de familie" is ruim, omdat het kan gaan om andere vormen van geweld dan de feiten opgesomd in artikel 375, 398 tot 400, 402, 403 en 405 Strafwetboek, bijvoorbeeld psychisch geweld. In de praktijk gaat DVZ strenger om met psychisch geweld dan met fysiek geweld en zal je meer bewijzen moeten overmaken over een langere periode. Toch moet DVZ rekening houden met eventuele aanwijzingen van psychisch geweld.
    1. Wanneer DVZ informeren?
       
      1. Je kan DVZ en de gemeente proactief informeren over het feit dat je slachtoffer bent van intrafamiliaal geweld. Je doet dit best schriftelijk met een ontvangstbewijs, bijvoorbeeld per aangetekend schrijven. Voeg zoveel mogelijk bewijzen toe.Van zodra er een aanwijzing is over huiselijk geweld of partnergeweld zal de dienst Gezinshereniging van DVZ (voorlopig) geen einde maken aan je verblijfsrecht en bijkomend onderzoek voeren. Het zal dan een brief sturen naar de gemeente die jou op zijn beurt zal vragen een aantal bewijzen over te maken. Je moet dat doorgaans doen binnen een termijn van 1 tot 3 maanden.
      2. Het is aangewezen de bewijzen van het intrafamiliaal geweld ten laaste voor te leggen indien je een eventuele verlenging van jouw tijdelijk verblijfsrecht aanvraagt of een brief ontvangt waarin DVZ aangeeft te overwegen om jouw verblijfsrecht te beëindigen, bijvoorbeeld omdat zij vastgesteld hebben dat je niet meer op hetzelfde adres woont als de referentiepersoon. Indien een brief verstuurd wordt door DVZ, zal dit naar jouw domicilieadres zijn. Het is dus belangrijk dat je deze informatie actualiseert.
      3. Heb je noch de gemeente, noch DVZ op tijd geïnformeerd dat je slachtoffer bent van huiselijk geweld en is je verblijfsrecht intussen al ingetrokken? Dan loont het de moeite om je bewijzen toch nog over te maken aan DVZ. Zij kunnen hun beslissing om je verblijfsrecht te beëindigen altijd herzien. Een annulatieberoep bij de RvV zal weinig zin hebben. Tenzij DVZ op het moment van zijn beslissing om je verblijfsrecht te beëindigen andere aanwijzingen had dat er mogelijk sprake was van huiselijk geweld en dit niet verder onderzocht. Bijvoorbeeld verklaringen van buren aan een wijkagent. 
         
    2. De bewijzen die je kan voorleggen of die DVZ van jou zal vragen kunnen de volgende zijn:
      • het proces-verbaal met je klacht over de feiten van partnergeweld. Als slachtoffer van een misdrijf kan je klacht neerleggen bij de politie. Er wordt dan een PV van verhoor opgesteld. Het parket onderzoekt of ze de dader ook effectief zal vervolgen. Het is dus niet zeker of de klacht zal uitmonden in een strafrechtelijke veroordeling;
      • een brief van het parket dat de stand van een eventueel onderzoek weergeeft;
      • een of meerdere medische attesten (als je die hebt);
      • het bewijs dat je verbleven hebt in een vluchthuis en een gedetailleerd verslag of het begeleidingsplan van het opvangcentrum;
      • bij psychisch geweld: een attest van een psycholoog/therapeut;
      • een veroordeling van jouw echtgenoot of geregistreerde partner wegens intrafamiliaal geweld;
      • getuigenissen van hulpverleners;
      • foto's die het geweld attesteren;
      • PV's waaruit blijkt dat je je aangemeld hebt bij de politie of waaruit blijkt dat er relationele moeilijkheden zijn 
      • ...

Het is belangrijk om zoveel mogelijk objectieve bewijzen voor te leggen. Vaak zijn aparte bewijzen zoals foto's of medische verslagen onvoldoende, maar kan uit het geheel van de voorgelegde elementen wel blijken dat er sprake is van huiselijk geweld. Hoe meer bewijzen je als slachtoffer voorlegt, hoe groter de kans dat DVZ de uitzondering toepast (of moet toepassen na een annulatieberoep bij de RvV).

 Zie ook de Omzendbrief 15 juni 2023 betreffende de verblijfsrechtelijke bescherming voor slachtoffers van intrafamiliaal geweld, toegelaten tot een verblijf in het Rijk op grond van gezinshereniging en ons nieuwsbericht erover.

Je kan tegen de beslissing van DVZ om je verblijfsrecht te beëindigen een automatisch schorsend beroep instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het beroep is niet schorsend in de volgende gevallen: 

  • de beslissing steunt op ‘dwingende redenen van nationale veiligheid’
  • DVZ maakt een einde aan je verblijf omdat je een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid
  • DVZ maakt een einde aan je verblijf omdat jij of de gezinshereniger fraude pleegde (Opgelet: tegen een einde van verblijf omwille van schijnrelatie of -adoptie, staat wél een automatisch schorsend beroep open).

Als je geen beroep instelt binnen de beroepstermijn of je beroep verworpen wordt door de RvV, kan DVZ een BGV afgeven en moet je het grondgebied verlaten. Anders kan je gedwongen uitgewezen worden.

Onbeperkt verblijfsrecht

Ten vroegste na 5 jaar kan je een verblijfsrecht van onbeperkte duur bekomen. 

Heb je de procedure in het buitenland opgestart, dan begint de termijn van vijf jaar te lopen vanaf de afgifte van de eerste A kaart. Als je van de gemeente eerst een bijlage 15 kreeg, nog voor de afgifte van de A kaart, dan start de termijn vanaf de datum op de bijlage 15

Heb je de aanvraag in België ingediend, dan begint de periode van vijf jaar te lopen vanaf de datum van de aanvraag (bijlage 15bis) .

Indien je voordat je een verblijfsstatuut kreeg als gezinslid van een derdelander een verblijfsstatuut had op een andere grond (vb. studie), kan je nagaan of je al voor het verlopen van de 5 jaar als gezinslid in aanmerking komt voor een onbeperkt verblijf in de vorm van bijvoorbeeld een L-kaart.

Om jouw beperkt verblijf om te kunnen zetten in onbeperkt verblijf, moet je als ouder van een niet-begeleide minderjarige begunstigde om internationale bescherming aantonen dat je beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. 

Indien zij na 5 jaar niet beschikken over deze bestaansmiddelen, zal DVZ de A-kaart verlengen.

De wet schrijft een referentiebedrag voor en als je daar niet aan voldoet kan je documenten voorleggen op basis waarvan DVZ vervolgens een behoefteanalyse kan uitvoeren.

Referentiebedrag

Het referentiebedrag wordt gebaseerd op het gemiddeld gewaarborgde minimum maandinkomen (GGMMI) . Je zal netto over 110% van het GGMMI moeten beschikken als 1 gezinslid een aanvraag tot gezinshereniging doet. Momenteel is dit

2.408,79 euro netto/maand

 

Dit basisbedrag (110% van het GGMMI) wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste, in België en in het buitenland. Voor de vraag hoeveel personen ten laste vallen van de gezinshereniger in België, wordt gekeken naar de huidige gezinssamenstelling van de referentiepersoon in België evenals naar het aantal familieleden dat hem komen vervoegen op het moment van de aanvraag gezinshereniging. Gezinsleden die de referentiepersoon wensen te vervoegen in België, worden geacht ten laste te vallen van de referentiepersoon in België voor wat betreft de aanvraag. Er werd geen plafond ingesteld.

Om te beoordelen hoeveel gezinsleden er ten laste zijn zal DVZ in elk dossier onderzoeken welke gezinsleden als ten laste beschouwd moeten worden. DVZ zal het rijksregister of andere databanken consulteren.

  • De gezinsleden die vanuit het buitenland komen worden steeds beschouwd als ten laste door DVZ, zij beschouwen dit als een onweerlegbaar vermoeden, ongeacht de bestaansmiddelen die deze personen zouden voorleggen indien zij nog steeds een inkomen zouden hebben nadat zij zich in België zouden vestigen.
  • Minderjarige inwonende kinderen worden ook steeds als ten laste beschouwd, al kan bij co-ouderschap rekening gehouden worden met de concrete situatie (DVZ zal hiermee rekening houden bij de uitvoering van de behoefteanalyse).
  • Meerderjarige inwonende personen:
    • Bij inwonende volwassenendie verwant zijn aan de referentiepersoon wordt nagegaan of zij voorzien in hun eigen onderhoud, ongeacht of zij afhankelijk zijn van de sociale bijstandsstelsels. Dit is het geval ongeacht  de graad van verwantschap. Er is geen specifiek bedrag dat zij moeten verdienen om niet als ten laste beschouwd te worden, dit zal in concreto beoordeeld worden. 
    • Inwonende volwassenen die niet verwant zijn aan de referentiepersoon worden niet beschouwd als ten laste. DVZ raadt aan dat je hen informeert indien een inwonende volwassene niet verwant is.

Er is geen specifiek bedrag dat zij moeten verdienen om niet als ten laste beschouwd te worden. Een inwonend familielid dat niet in eigen onderhoud voorziet (ongeacht of die ten laste is van de sociale bijstandsstelsels) wordt als persoon ten laste beschouwd, ongeacht de graad van verwantschap. Dit geldt niet bij niet-verwante huisgenoten.

Als je referentiepersoon in België aantoont een inkomen te hebben dat gelijk is aan of hoger dan het wettelijke referentiebedrag, dan hoef je geen bijkomende bewijzen toe te voegen. Dit volgt uit rechtspraak van het Grondwettelijk hof.

Voorbeeld: de referentiepersoon verblijft alleen in België en zijn partner en twee minderjarige kinderen doen een aanvraag gezinshereniging. Het referentiebedrag is 110% (partner die vraagt om gezinshereniging te
genieten) + 20% van de 110% van het GGMMI (10% per kind dat vraagt om gezinshereniging te genieten)

Behoefteanalyse

 Als je het referentiebedrag niet kan aantonen, kan je een behoefteanalyse vragen. DVZ moet dan bepalen welke bestaansmiddelen jullie gezin nodig heeft om te voorzien in jullie behoeften, zonder (structureel) ten laste te vallen van de sociale bijstand. Dit volgt uit het arrest Chakroun

De bewijslast voor de behoefteanalyse ligt echter volledig bij de aanvrager . De overheid (DVZ) heeft niet meer de plicht om stukken op te vragen. 

De aanvrager moet bij de aanvraag op eigen initiatief stukken voorleggen die aantonen dat het gezin genoeg bestaansmiddelen heeft om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Je kan dat als aanvrager doen met alle bewijsmiddelen, documenten en inlichtingen. Je legt gedetailleerde bewijzen voor van de (gemiddelde) maandelijkse inkomsten van de referentiepersoon, zodat DVZ de financiële toestand van je gezin kan beoordelen. Daarnaast leg je bewijzen voor van de maandelijkse uitgaven van de referentiepersoon, met bewijsstukken zoals facturen van allerhande betalingen zoals verzekeringen (brandverzekering, autoverzekering, hospitalisatieverzekering etc.), huurlasten of hypotheekaflossingen, facturen voor water, gas en elektriciteit, internet- en GSM-facturen, belastingen, mobiliteit (openbaar vervoer, auto),  uitgaven aan dagelijkse kosten zoals supermarkten, bijvoorbeeld op basis van rekeninguittreksels, vrije tijdsuitgaven, kledij, vakantie etc.

DVZ neemt in het kader van de behoefteanalyse ook bewijsstukken mee zoals een simulatie, gemaakt door de werkgever, van de toekomstige wedde van de referentiepersoon. Als de referentiepersoon (een) pers(o)on(en) ten laste zal hebben bij goedkeuring van de aanvraag gezinshereniging, zal diens nettoloon immers hoger zijn dan op het ogenblik dat deze gezinsleden nog niet ten laste vallen van de referentiepersoon. Een dergelijke simulatie kan dan ook helpen om aan te tonen dat men kan voorkomen dat het gezin in de toekomst ten laste zal vallen van de sociale bijstandsstelsels.

Hou er rekening mee dat als een aanvraag gezinshereniging ingediend wordt voor meerdere personen en de referentiepersoon bijvoorbeeld slechts een inkomen heeft dat voldoende geacht wordt om een aantal van deze personen ten laste te nemen, de aanvragen van alle gezinsleden geweigerd kunnen worden indien uit de behoefteanalyse niet blijkt dat het inkomen van de referentiepersoon toereikend is.

DVZ zal, indien er minderjarige kinderen zijn waarbij er een regeling is inzake co-ouderschap, in het kader van de behoefteanalyse rekening houden met deze regeling. Indien de betrokken kinderen bijvoorbeeld 50% van de tijd bij een andere ouder verblijven, zal DVZ hiermee rekening houden bij de beoordeling van de behoeften van het gezin, nu deze kinderen slechts deels ten laste zijn van de referentiepersoon.

Europeesrechtelijke achtergrond en Belgische wetgeving en praktijk

De inkomensvereiste komt voort uit EU-richtlijn 2003/86/EG over gezinshereniging met derdelanders. Volgens de richtlijn mogen lidstaten het bewijs vragen van “stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om het gezin te onderhouden, zonder een beroep te doen op de sociale bijstand van de gastlidstaat”. Volgens het HvJ gaat dit niet om bijzondere, individueel bepaalde of occasionele sociale bijstand maar om algemene, structurele sociale bijstand.  In België kan een gezin met een inkomen van minstens 100% van het leefloon tarief ‘persoon met een gezin ten laste’ niet structureel ten laste vallen van de sociale bijstand in de zin van de richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het HvJ.

De Belgische Verblijfswet legt dus een hogere inkomenseis op dan voorzien in het Unierecht.

 

De volgende inkomsten zijn volgens de Verblijfswet uitgesloten en tellen niet mee voor de berekening van de bestaansmiddelen:

  • leefloon
  • maatschappelijke dienstverlening
  • gezinsbijslag
  • wachtuitkering
  • overbruggingsuitkering
  • werkloosheidsuitkering, tenzij de gezinshereniger bewijst dat hij of zij actief werk zoekt. De gezinshereniger moet niet bewijzen dat hij actief op zoek is naar werk als hij vrijgesteld is van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt, conform artikel 89 en 98bis van het koninklijk besluit werkloosheidsreglementering van 25 november 1991.

Het moet gaan om stabiele en regelmatige bestaansmiddelen. Om die reden weigert DVZ vaak inkomsten uit:

  • interimarbeid (tenzij bij een ononderbroken tewerkstelling van minstens één jaar of na een periode van werkloosheid)
  • tijdelijke arbeidsovereenkomsten
  • een 'artikel 60 tewerkstelling'

DVZ vraagt dat je bij voorkeur bewijzen overmaakt van bestaansmiddelen van de laatste 12 maanden.

Je kan toereikende en stabiele bestaansmiddelen o.m. bewijzen met:

  • loonfiches
  • maaltijdcheques
  • netto huurinkomsten. Hoe dit precies berekend wordt vind je op de website van DVZ.
  • het meest recente aanslagbiljet in de personenbelasting
  • een arbeidscontract
  • rekeninguittreksels
  • pensioenfiches
  • bewijzen van het actief zoeken naar werk, in combinatie met het bewijs van de werkloosheidsuitkering
  • inkomsten uit een zelfstandige activiteit moeten met specifieke documenten bewezen worden. Je vindt een gedetailleerd overzicht van de vereiste bewijzen op de website van DVZ.

DVZ houdt alleen rekening met de eigen bestaansmiddelen van de gezinshereniger in België die je komt vervoegen en dus niet met jouw inkomsten of eventuele inkomsten van derden. Deze praktijk staat op gespannen voet met rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit een arrest van de Raad van State volgt dat DVZ ook rekening moet houden met inkomsten die de gezinshereniger ontvangt van een gezinslid, bv. via een doorlopende opdracht. 

Voor meer info over de bestaansmiddelenvoorwaarde bij gezinshereniging, lees ons rechtspraakoverzicht.

De ouders van een niet-begeleide minderjarige moeten voor het verkrijgen van onbeperkt verblijf niet enkel aantonen dat zij beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, maar ook dat zij nog steeds voldoen aan de overige voorwaarden die gesteld werden aan de gezinshereniging.

Samenwoonst vs. werkelijk gezinsleven

Om een onbeperkt verblijfsrecht te bekomen moet nog steeds samenwonen met je kind. Dat volgt uit de Belgische Verblijfswet. 

EU-richtlijn 2003/86/EG legt strikt genomen géén samenwoonstverplichting op: wel moet je een 'werkelijk gezinsleven' (blijven) onderhouden met het gezinslid dat je vervoegt. Het HvJ preciseerde al dat bij gezinshereniging met een erkend vluchteling die tijdens de asielprocedure meerderjarig is gewondenhet begrip 'werkelijk gezinsleven' niet betekent dat een meerderjarig geworden kind en zijn ouder(s) moeten samenwonen of eenzelfde huishouden delen: incidentele bezoeken en regelmatige contacten kunnen volstaan. Het is ook niet nodig dat ouders en kind mekaar financieel ondersteunen. 

Het HvJ deed nog geen uitspraak over de samenwoonstverplichting van kinderen die tijdens de periode van beperkt verblijf meerderjarig zijn geworden. In de praktijk verlengt DVZ de A kaart van de ouders wanneer er nog een werkelijk gezinsleven is en de ouders voldoende inspanningen leveren om te integreren (taal, tewerkstelling, enz.).

Van zodra je vijf jaar een beperkt verblijfsrecht hebt kan je je aanmelden bij de gemeente om een B kaart te vragen, ook als je A kaart nog geldig is. Je moet de documenten overmaken waaruit blijkt dat je (nog steeds) voldoet aan de voorwaarden.

DVZ kan twee beslissingen nemen. Ofwel krijg je een onbeperkt verblijfsrecht. Ofwel krijg je opnieuw een beperkt verblijfsrecht dat onder bepaalde voorwaarden vernieuwd kan worden.

Voldoe je na vijf jaar nog steeds aan de voorwaarden voor gezinshereniging en beschik je over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen?

Je krijgt dan een onbeperkt verblijfsrecht dat definitief is en onvoorwaardelijk. Dat betekent dat je niet langer moet voldoen aan de voorwaarden gezinshereniging om je verblijfsrecht te behouden. De gemeente geeft je een elektronische B kaart. De kaart is 5 jaar geldig.

Kan je na vijf jaar nog geen stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen bewijzen dan zal je A kaart éénmalig met één jaar verlengd worden. Nadien zal je A kaart telkens met één jaar verlengd worden als je beschikt over toereikende bestaansmiddelen, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden, een ziektekostenverzekering, en voor zover je bewijst geen gevaar te vormen voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid. (art. 13, §1, lid 3 Vw). 

In de praktijk wordt een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij de NBMV nog minderjarig is en het geval waarbij de NBMV ondertussen al meerderjarig is. 

Is de NBM nog minderjarig dan zal DVZ je A kaart verlengen tot je kind meerderjarig wordt (zonder bijkomende voorwaarden). Nadien zal DVZ je persoonlijke situatie onderzoeken. 

Is het kind al meerderjarig op het ogenblik dat een onbeperkt verblijfsrecht wordt gevraagd en is niet voldaan aan de vereiste van voldoende bestaansmiddelen, dan zal je éénmalig een A kaart van één jaar krijgen. Nadien moet je o.a. toereikende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering aantonen om je verblijfsrecht te behouden. Kan je deze zaken niet aantonen, dan zal DVZ een evenredigheidstoets moeten uitvoeren waarbij het rekening moet houden me je individuele omstandigheden. 

Wanneer je na vijf jaar niet in aanmerking komt voor een B kaart, kom je misschien wel in aanmerking voor een L kaart als langdurig ingezeten derdelander. Een L kaart geldt als bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister. Je hebt dan een onvoorwaardelijk en onbeperkt verblijfsrecht, net als bij de B kaart. Kijk hier na of je voldoet aan de voorwaarden voor de status van langdurig ingezeten derdelander.

DVZ kan jouw onbeperkt verblijfsrecht beëindigen in de volgende gevallen:

  • jij of de referentiepersoon pleegde fraude (die bijgedragen heeft tot de erkenning van je verblijfsrecht);
  • het staat vast dat er een schijnadoptie plaatsvond;
  • je bent een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Je gedrag moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging zijn voor een fundamenteel belang van de samenleving.

Voordat DVZ je verblijfsrecht beëindigt of intrekt zal hij je schriftelijk vragen om eventuele relevante informatie, die het nemen van de beslissing kan verhinderen of beïnvloeden, over te maken. Op de hoorplicht bestaan wel een aantal wettelijke uitzonderingen. Ook moet DVZ altijd rekening houden met al jouw individuele omstandigheden, zoals:

  • de aard en de hechtheid van je gezinsband
  • de duur van je verblijf in België
  • het bestaan van familiale-, culturele of sociale banden met je land van herkomst

Als jouw verblijfsrecht beëindigd wordt om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, moet DVZ altijd rekening houden met:

  • de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid
  • het gevaar dat van je uitgaat 
  • de duur van je verblijf in België
  • het bestaan van banden met België
  • het ontbreken van banden met je land van oorsprong
  • je leeftijd
  • de gevolgen voor jou en je gezinsleden

In principe krijg je 15 dagen de tijd vanaf de ontvangst van de brief van DVZ om relevante informatie schriftelijk over te maken. Heb je belangrijke informatie over je banden met België? Of over je gezinssituatie? Dan meld je dat best in je antwoord, samen met de bewijzen hiervan.

Je kan tegen de beslissing van DVZ om je verblijfsrecht te beëindigen of in te trekken of tegen de weigering om een B kaart te geven, een beroep instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Je moet dat doen binnen 30 dagen. 

Het beroep is alleen automatisch schorsend wanneer DVZ je onbeperkt verblijfsrecht beëindigt omdat het gaat om een schijnhuwelijk, -partnerschap of -adoptie. Behalve wanneer de beslissing steunt op ‘dwingende redenen van nationale veiligheid’. In dat geval en in alle andere gevallen is het beroep niet automatisch schorsend. 

Als je geen beroep instelt binnen de beroepstermijn of je beroep verworpen wordt door de RvV, kan DVZ een BGV afgeven en moet je het grondgebied verlaten. Anders kan je gedwongen uitgewezen worden.