Samenvatting
Verzoekers legden verder een rechterlijke beslissing van 7 juli 2016 voor waarin kan worden gelezen dat 2 Somalische onderdanen voor de rechtbank verklaarden dat de moeder van verzoekers sinds 2009 was vermist en dat hun vader in 2013 was overleden en dat hierop de rechter heeft geoordeeld dat hun zus als enige volledig ouderlijk gezag heeft over verzoekers en zij als enige met hen kan reizen.
Verzoekers merken opnieuw op dat, nu de rechterlijke beslissing door de rechtbank zelf meteen van een Engelse vertaling werd voorzien, een beëdigde vertaling niet nodig was. Zij wijzen er nog op dat verweerder op zijn eigen website vermeldt dat in geval van Engelstalige documenten een beëdigde vertaling niet nodig is. In dit verband moet echter worden opgemerkt dat niet blijkt dat verweerder de bestreden beslissingen werkelijk heeft gesteund op een motief van het ontbreken van een beëdigde vertaling van dit rechterlijke vonnis en dat integendeel verweerder de inhoud van dit stuk in rekening heeft gebracht. Deze kritiek is dus ongegrond, minstens is een voldoende belang niet voorhanden.
Uit de bestreden beslissingen blijkt dat verweerder met betrekking tot deze voorgelegde rechterlijke beslissing van mening is dat niet blijkt dat deze nog betrekking heeft op de recente of huidige situatie van verzoekers, nu hij stelt dat het onduidelijk is wie de voogd van verzoekers was sinds de referentiepersoon Somalië heeft verlaten op 10 augustus 2016 en wie sindsdien voor hen heeft gezorgd. Volgens verweerder ontbreekt ook elk ander bewijs dat de moeder (nog) vermist is.
Verzoekers brengen hiertegen in dat de rechterlijke beslissing bevestigt dat hun moeder is vermist. Zij benadrukken verder dat deze rechterlijke beslissing nog steeds geldig is en er geen nieuwe overdracht van voogdijschap is geweest, zodat de referentiepersoon tot recent de voogd was van eerste verzoeker en nog steeds de voogd is van tweede verzoeker. Dit bewijst volgens hen ook het bestaan van een bijzondere afhankelijkheidsband, in het verleden en actueel.
Verzoekers kunnen de voorgelegde rechterlijke beslissing echter niet meer laten zeggen dan wat hierin staat vermeld, met name dat op 7 juli 2016 een rechter zou hebben geoordeeld dat de zus van verzoekers het volledige ouderlijke gezag over hen kreeg, omdat hun moeder op dat ogenblik was vermist en hun vader overleden. Dit stuk zegt evenwel op zich niets over de vraag of de moeder ook na deze datum of actueel nog steeds is vermist en evenmin over de vraag of na het vertrek van de referentiepersoon uit Somalië de regeling behouden bleef dan wel een nieuwe regeling werd vastgesteld. Verzoekers leggen ook niet uit waaruit dan kan blijken dat deze rechterlijke beslissing nog steeds geldig zou zijn en er geen nieuwe overdracht van voogdijschap is geweest. De Raad acht de motivering in de bestreden beslissingen dat het onduidelijk is wie de voogd was van verzoekers nadat de referentiepersoon op 10 augustus 2016 was vertrokken uit Somalië en dat het bijgevolg niet is aangetoond dat dit nog steeds de referentiepersoon zou zijn, noch onzorgvuldig noch kennelijk onredelijk. Verzoekers waren ten tijde van het vertrek van de referentiepersoon uit Somalië amper 8 en 9 jaar oud en er liggen – zoals verweerder heeft vastgesteld – geen bewijzen voor van enige concrete contacten met of ondersteuning door de referentiepersoon gedurende vele jaren na haar vertrek uit Somalië (zie ook verder). Aldus is het niet kennelijk onredelijk om te oordelen dat de rechterlijke beslissing van 7 juli 2016 geen duidelijkheid schept over wie sinds het vertrek van de referentiepersoon uit Somalië, amper een goede maand later, als voogd heeft opgetreden voor verzoekers en wie de zorg voor hen sindsdien heeft opgenomen. De Raad acht het in de gegeven omstandigheden evenmin kennelijk onredelijk om aan te nemen dat zij wel degelijk nog andere familieleden moeten hebben gehad op wie zij konden terugvallen en, minstens zolang geen aannemelijke verklaringen of bewijzen worden aangebracht die hierover anders doen oordelen, eveneens kan worden aangenomen dat dit actueel nog steeds het geval is.
Louter ten overvloede merkt de Raad in dit verband trouwens op dat het bij de aanvraag voor de eerste verzoeker voorgelegd medische stuk van 13 juni 2023 vermeldt dat hij “bij zijn moeder woont” en hierin sprake is van overleg dat werd gepleegd met de “familieleden”, meer bepaald over de bezorgdheid van de familie voor een blijvende handicap en over de zorg die kan worden geboden, en van het medisch advies dat “hen” werd gegeven. Verzoekers zelf stelden hierover in hun visumaanvragen weliswaar dat dit een vergissing betrof. Zo zou het integendeel hun buurvrouw zijn geweest die mee was op de afspraak en zouden zij ook niet samenleven met deze buurvrouw maar in een aparte kamer verblijven. Waar werd gewezen op “de familie” zou dit volgens hen ook slaan op de familie van deze buurvrouw. Dit betreffen echter niet meer dan blote beweringen van verzoekers, waarmee zij niet aantonen dat deze vermeldingen in het door henzelf voorgelegde medische stuk incorrect zouden zijn. Dit medisch attest wijst wel degelijk op de aanwezigheid bij verzoekers in Kenia van een ruimer familiaal netwerk, waaronder zelfs de moeder. Het lijkt ook eerder onwaarschijnlijk dat de familie van de buurvrouw aanwezig zou zijn geweest in het ziekenhuis om de verdere zorg voor eerste verzoeker te bespreken, te meer nu verzoekers zelf voor het overige geen enkele melding maken van ondersteuning door de familie van deze buurvrouw. Verzoekers kunnen zich alleszins niet beperken tot loutere beweringen zonder enig begin van bewijs om de uitdrukkelijke vermeldingen in het voorgelegde medisch attest van 13 juni 2023 tegen te spreken.
(…)
Rekening houdend met de voorgaande bespreking weerleggen verzoekers met hun uiteenzetting evenmin de beoordeling in de bestreden beslissingen dat geen beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM met hun voorgehouden zus in België blijkt.
Verzoekers betwisten op zich de beoordeling in de bestreden beslissingen niet dat in hun situatie – dit is de situatie waarin de meerderjarige referentiepersoon reeds sinds 2017 legaal in België verblijft en al jarenlang geen deel meer uitmaakt van haar oorspronkelijke kerngezin – overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid, andere dan de gewoonlijke affectieve banden, opdat sprake is van een onder artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven.
Verzoekers wijzen allereerst op een materiële en/of financiële band van afhankelijkheid met hun zus in België die volgens hen wel degelijk de gewone affectieve banden overstijgt, maar gaan voorbij aan de vaststellingen in de bestreden beslissingen dat de financiële steun van de referentiepersoon pas zeer recent is begonnen en deze niet op regelmatige basis wordt gegeven. Een eerste geldstorting waarvan met zekerheid blijkt dat deze door de referentiepersoon aan (een van de) verzoekers is gebeurd, dateert zo pas van 21 maart 2024, of nog van korte tijd voor de visumaanvragen. Verweerder wees er op dat het niet duidelijk is wie verzoekers doorheen al die jaren heeft onderhouden, zowel in Somalië als in Kenia, maar alleszins niet blijkt dat zij al die jaren voor hun levensonderhoud afhankelijk waren van hun voorgehouden zus in België en zij evenmin een bewijs van onvermogen voorleggen. Zoals reeds werd vastgesteld, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat de voorgelegde bewijzen van financiële steun niet volstaan als bewijs van een werkelijke en bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Van overige bewijzen van materiële steun werd bovendien helemaal niets aangebracht en verzoekers duiden ook niet op welke ‘materiële’ steun zij doelen.
Verzoekers wijzen nog op een sterke affectieve/emotionele band van afhankelijkheid van hun zus. Ook deze band berust echter vooral op aannames waarvoor geen werkelijk en concreet (begin van) bewijs wordt voorgelegd, met name dat hun zus in België hun enige nog levende familielid zou zijn, dat hun zus de enige is die hun zorg kan opnemen, dat zij gedurende belangrijke levensjaren zijn opgevoed en grootgebracht door hun zus die sinds de vermissing van hun moeder een moederrol zou hebben opgenomen in hun leven en dat zij al jaar en dag deel uitmaken van het gezin van hun zus en volledig afhankelijk zouden zijn van haar ondersteuning om te overleven. Zelfs indien wordt aangenomen dat hun zus in de periode voor haar vertrek uit het land van herkomst enige tijd hun zorg heeft opgenomen, blijft de vaststelling in de bestreden beslissingen overeind dat geen enkel begin van bewijs voorligt van directe contacten of steun in de vele jaren sinds het vertrek van hun zus in 2016 en dit tot kort voor het indienen van de visumaanvragen in 2024. Indien de referentiepersoon daadwerkelijk verzoekers’ enige nog levende familielid zou zijn en zij volledig zijn aangewezen op haar zorg, zou in alle redelijkheid kunnen worden aangenomen dat er al van veel vroeger concrete bewijzen van contacten en ondersteuning zouden kunnen worden voorgelegd. Minstens is het aan verzoekers om dit alles concreet te duiden en te verklaren, waartoe zij echter in gebreke blijven.