EHRM: 15 jaar uitblijven van definitieve beslissing over aanvraag 9ter schendt artikel 8 EVRM

In het kort

In haar arrest Sahiti tegen België nr. 24421/20 van 9-10-2025 oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat België artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) schendt door 15 jaar lang geen definitieve beslissing te nemen bij een aanvraag medische regularisatie (art. 9ter Vw).

Een Kosovaarse onderdaan dient op 27 september 2010 een aanvraag tot medische regularisatie in. De aanvraag werd ontvankelijk verklaard en betrokkene ontving een attest van immatriculatie (AI). Op datum van het arrest was de aanvraag nog altijd hangende en was er nog geen definitieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ).

In de voorbije 15 jaar werden er 9 weigeringsbeslissingen genomen door de DVZ. Zes van de genomen beslissingen werden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) vernietigd en 3 beslissingen, waaronder de meest recente beslissing, werden door de DVZ ingetrokken. 

Betrokkene beroept zich op schending van artikel 3 en 13 EVRM 

Voor het hof roept betrokkene de schending in van artikel 3 en 13 EVRM. 

Hij meent dat hij, door zijn gezondheidstoestand, bij een terugkeer naar Kosovo, het slachtoffer riskeert te worden van onmenselijke of vernederende behandelingen (art. 3 EVRM). 

Het hof oordeelt dat een dergelijk risico enkel kan weerhouden worden als er een effectieve verwijderingsmaatregel is. Een loutere verwerping van de aanvraag 9ter is geen verwijderingsmaatregel.

Doordat de verschillende weigeringsbeslissingen en de bijbehorende bevelen om het grondgebied te verlaten vernietigd werden door de RvV of werden ingetrokkene door de DVZ zelf kan er ten aanzien van betrokkene geen verwijderingsmaatregel genomen worden.

Volgens het hof is er bijgevolg geen sprake van een schending van artikel 3 EVRM.

Betrokkene beroept zich ook op een schending van artikel 13 EVRM. Verwijzend naar het ‘procedureel gepingpong’ tussen de DVZ en de RvV meent betrokkene dat hij niet over een ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ beschikt in de zin van art. 13 EVRM. Om hieraan tegemoet te komen vraagt betrokkenen dat de RvV zelf een beslissing ten gronde zou moeten kunnen nemen. Het hof volgt deze renedering niet en stelt dat, ten gevolge van het subsidiariteitsbeginsel, het niet aan het hof is om te bepalen welk soort rechtsmiddel moet worden voorzien om tegemoet te komen aan de vereisten van het verdrag. Het is niet de taak van het hof om de bevoegdheden van de RvV uit te bereiden om zo de bestreden beslissing te kunnen hervormen.

Schending van artikel 8 EVRM

Het hof weerhoudt dus niet de schending van artikel 3 en 13 EVRM, maar beoordeelt de situatie van betrokkene in het licht van art. 8 EVRM (respect voor privé- familie- en gezinsleven).

Volgens het hof is het ‘privéleven’ een breed begrip. Dit omvat de fysieke en morele integriteit van de persoon en ook de verschillende aspecten van de fysieke en sociale identiteit van een individu.

Betrokkene wacht al 15 jaar op een definitieve beslissing. Bij elke negatieve beslissing van de DVZ verliest hij de financiële hulp van het OCMW en heeft hij enkel recht op dringende medische hulp. Deze dringende medische hulp is niet voldoende om de zorgen te bekostigen die hij nodig heeft. Hierdoor wordt betrokkene in een precaire en kwetsbare positie gesteld. Deze situatie heeft verregaande gevolgen voor het privéleven van betrokkene waardoor het hof concludeert dat artikel 8 EVRM wordt geschonden.

Tenslotte meent het hof dat de Belgische staat op basis van art. 46 EVRM, alle nodige maatregelen moet nemen om, binnen een redelijke termijn en met eerbiediging van het intern recht, een definitieve beslissing te nemen zodat er een einde wordt gesteld aan de schending van het verdrag.