Samenvatting
Op 9 oktober 2025 oordeelde het EHRM dat België artikel 8 EVRM had geschonden. Sinds de medische regularisatieaanvraag van 2010 was immers nooit een definitieve beslissing genomen, door jarenlang procedureel heen en weer tussen de DVZ en de RVV.
Feiten: Procedureel gepingpong tussen DVZ en RVV na weigering medische regularisatie (art. 9ter Vw)
In september 2010 heeft de verzoeker, Dhr. Sahiti, een Kosovaarse onderdaan van Roma origine, een regularisatieaanvraag ingediend om medische redenen, op basis van artikel 9ter Vw. Één maand later, wordt de aanvraag ontvankelijk verklaard. In september 2012 heeft de DVZ het verblijf geweigerd op basis van het advies van de ambtenaar-arts. Die was van mening dat de toestand van de verzoeker geen bijzondere voorzorgsmaatregelen vereiste en beter in het land van herkomst kon worden behandeld. De verzoeker ging daartegen in beroep bij de Raad voor vreemdelingenbetwistingen (RVV). In april 2013 vernietigde de RVV de beslissing van de DVZ wegens een onvoldoende en inadequaat gemotiveerde weigering. In juni 2013 nam de DVZ een nieuwe weigeringsbeslissing, gebaseerd op nagenoeg dezelfde redenen. Ook die beslissing werd in februari 2015 opnieuw door de RVV vernietigd. Het procedureel gepingpong bleef zich herhalen. Tussen 2010 en 2025 nam de DVZ in totaal negen beslissingen: zes weigeringen die telkens door de RVV werden vernietigd en drie intrekkingen zonder motivering. In 2025 is de regularisatieaanvraag nog steeds hangende.
Na elke weigeringsbeslissing zette het OCMW de bijstand aan de verzoeker stop, waardoor het gezin enkel nog toegang had tot dringende medische hulp. Na een beroep van de verzoeker heeft de arbeidsrechtbank de OCMW steun wel opnieuw toegekend. In mei 2020 beoordeelt de Arbeidsrechtbank van Luik dat de verzoeker zich in een situatie van medische overmacht bevindt: de ernst van de ziekte brengt een zelfmoordrisico met zich mee en de behandelingen zijn niet beschikbaar in Kosovo. Toch bleef de DVZ weigeringsbeslissingen nemen met ongeveer dezelfde motivering. In bepaalde arresten heeft de RVV vastgesteld dat de DVZ het gezag van gewijsde van vorige vernietigingsarresten heeft geschonden.
Voor het EHRM beweert de verzoeker dat België artikel 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen) en artikel 13 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) heeft geschonden.
Geen schending artikel 3 of 13 EVRM: niet van toepassing zonder uitwijzingsbeslissing
Het EHRM beslist om de zaak niet aan artikel 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen) en artikel 13 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) te toetsen maar enkel aan artikel 8 EVRM (recht op privéleven).
Volgens de verzoeker riskeert hij een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Kosovo.
Volgens het EHRM kan de uitzetting van een vreemdeling problematisch zijn in het licht van artikel 3 EVRM wanneer er ernstige en onderbouwde redenen bestaan om aan te nemen dat de betrokkene bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM. Dit risico kan op zich niet voortvloeien uit de weigering van een verblijfsaanvraag, aangezien volgens het Belgische recht geen gedwongen verwijdering kan plaatsvinden zonder dat een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) is uitgevaardigd (§ 56). Het EHRM herhaalt daarbij de benadering die het eerder in een onontvankelijkheidsbeslissing heeft ontwikkeld. (F.O. en G.H. t. België (besl.), nr 9568/22, 16 april 2024).
In casu stelt het EHRM vast dat er geen BGV ten aanzien van de verzoeker kan worden uitgevoerd. Alle eerder genomen BGV’s zijn immers ofwel door de RVV vernietigd, ofwel door de DVZ ingetrokken. De verzoeker kan daarom niet worden beschouwd als slachtoffer van een schending van artikel 3 EVRM. Zijn klacht op grond van artikel 3 EVRM wordt dan ook verworpen.
Schending artikel 8 EVRM: lange wachttijd brengt (rechts)onzekerheid mee
Het EHRM beslist zelf om de situatie van verzoeker aan artikel 8 EVRM (recht op privéleven) te toetsen. Bij elke negatieve beslissing van de DVZ verloor de verzoeker zijn recht op sociale bijstand, met uitzondering van dringende medische hulp. Hierdoor zag hij zich genoodzaakt meerdere procedures bij de arbeidsrechtbanken in te leiden. De langdurige onzekerheid over zijn verblijfstatuut, die inmiddels vijftien jaar aanhoudt, heeft onvermijdelijk een aanzienlijke impact op zijn privéleven, zodat artikel 8 EVRM toepassing vindt.
Volgens het EHRM mag de verzoeker verwachten dat een regularisatieaanvraag, zodra zij is ingediend, door de bevoegde autoriteiten naar behoren wordt onderzocht en dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen, om de onzekere en precaire situatie waarin hij zich bevindt zo veel mogelijk te beperken (§ 78). Deze verplichting vloeit voort uit de positieve verplichtingen die artikel 8 EVRM oplegt.
Volgens de verzoeker moet de RVV over een bevoegdheid van volle rechtsmacht beschikken om de verplichtingen uit het EVRM te kunnen vervullen, waarbij hij verwijst naar de standpunten van de federale ombudsman en het federale migratiecentrum Myria. Het EHRM volgt hem daarin niet: het enkele feit dat de RVV in deze materie slechts over een vernietigingsbevoegdheid beschikt en niet over een hervormingsbevoegdheid, is op zichzelf niet strijdig met het EVRM (verwijzend naar zijn rechtspraak over de bevoegdheid van de Raad van State op het vlak van art. 6 EVRM ).
Het EHRM merkt op dat de autoriteiten, zelfs na vijftien jaar, geen definitieve beslissing hebben genomen over de regularisatieaanvraag. Intussen heeft de RVV herhaaldelijk vernietigingsarresten gewezen, onder meer omdat de DVZ eerdere arresten van de RVV niet had gerespecteerd en aldus het gezag van gewijsde had miskend.
Deze situatie plaatst de verzoeker in een precaire en onzekere positie die onverenigbaar is met het beginsel van rechtszekerheid, een essentieel element van de rechtsstaat. Dit volstaat om te concluderen dat de positieve verplichtingen voortvloeiend uit artikel 8 EVRM zijn geschonden. Artikel 8 EVRM is derhalve geschonden.
Geen verplichting om een verblijfstitel toe te kennen als herstel (artikel 41 EVRM) maar enkel om een definitieve beslissing te nemen als tenuitvoerlegging van het arrest (artikel 46 EVRM)
Als herstel voor zijn materiële en morele schade vroeg de verzoeker uitsluitend de aflevering van een definitieve verblijfstitel voor zichzelf, zijn echtgenote en hun vier kinderen. Het EHRM verklaart zich echter onbevoegd om België de afgifte van een verblijfstitel op te leggen. Aangezien geen financiële compensatie werd gevorderd in ondergeschikte orde, wordt er geen schadevergoeding toegekend op grond van artikel 41 EVRM.
Artikel 46 EVRM verplicht de Staten de arresten van het EHRM te respecteren in de zaken waarin zij partij zijn. Het is in beginsel aan de Staat om te bepalen welke algemene en/of individuele maatregelen in zijn rechtsorde vereist zijn om de door het EHRM vastgestelde schending te beëindigen en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te herstellen. In casu kiest het EHRM er evenwel voor om zelf een individuele maatregel te preciseren: België moet alle nodige maatregelen treffen zodat de verzoeker binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing krijgt over zijn aanvraag tot medische regularisatie (§ 96).