GwH: verblijfsprocedure staatlozen - vernietiging aantal voorwaarden

In het kort

Het Grondwettelijk Hof vernietigt een aantal bepalingen in de procedure bij Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) voor een verblijfsrecht als staatloze die werd ingevoerd door de wet van 10-3-2024. Zo worden de voorwaarden dat de aanvrager al eerder ofwel een verblijfsrecht van meer dan drie maanden had ofwel een verzoek om internationale bescherming indiende, en dat de aanvrager moet bewijzen dat hij geen andere nationaliteit kan krijgen, vernietigd. Daarnaast moet, volgens het Hof, de aanvrager verplicht gehoord worden, een ontvangstbewijs van de aanvraag krijgen en mag die tijdens de procedure niet gedwongen gerepatrieerd worden. Tot slot moet de termijn van het tijdelijk verblijf van 5 jaar starten op de datum van het definitief geworden vonnis tot erkenning als staatloze, als dat er is, en niet op het moment van de beslissing van DVZ tot toekenning van het verblijfsrecht als staatloze. Volgens het Hof geniet een persoon die door de familierechtbank erkend wordt als staatloze en een persoon die een verblijfsrecht krijgt als staatloze via de procedure bij DVZ zónder een erkenning door de familierechtbank, dezelfde rechten. 

Verblijfsprocedure voor staatlozen

Sinds 1 september 2024 kan je bij Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) een verblijfsrecht wegens staatloosheid aanvragen, nadat het Grondwettelijk Hof verschillende keren vaststelde dat het ontbreken van zo’n verblijfsprocedure voor staatlozen ongrondwettig was. De wetgever voorzag daarom met de wet van 10 maart 2024 een administratieve procedure voor verblijf wegens staatloosheid in art. 57/37 tot 57/46 Verblijfswet, met een aantal ontvankelijkheidsvoorwaarden en een aantal gegrondheidsvoorwaarden. Naast deze administratieve verblijfsprocedure blijft ook de gerechtelijke procedure tot erkenning als staatloze bij de familierechtbank op grond van art. 572bis, 1° Gerechtelijk Wetboek bestaan. 

Grondwettelijk Hof vernietigt

Het Grondwettelijk Hof vernietigt een aantal bepalingen van de wet van 10 maart 2024 tot invoering van de administratieve verblijfsprocedure wegens staatloosheid, en stelt ook een aantal ongrondwettelijke lacunes vast. 

Het Hof oordeelt daarbij dat er een verschil in behandeling mag zijn tussen staatlozen en verzoekers om internationale bescherming en erkend vluchtelingen of subsidiair beschermden, omdat staatlozen niet kunnen terugvallen op specifieke Europese regelgeving. Staatlozen en erkend vluchtelingen of subsidiair beschermden moeten dus niet op dezelfde manier behandeld worden. 

  • De gegrondheidsvoorwaarde in art. 57/37, 4° Verblijfswet (Vw), namelijk dat de aanvrager geen andere nationaliteit kan verkrijgen of herkrijgen wordt vernietigd. Artikel 1 van het Verdrag van New York stelt immers dat een staatloze de persoon is die geen nationaliteit bezit, ongeacht of die een nationaliteit zou kunnen krijgen of herkrijgen. Het gevolg is dat DVZ in praktijk om deze reden geen verblijf meer kan weigeren.
  • Bij de ontvankelijkheidsvoorwaarden om de aanvraag voor een verblijf wegens staatloosheid te kunnen indienen (art. 57/40 Vw) staat ook de voorwaarde dat de aanvrager eerder al een verblijfsrecht van meer dan 3 maanden moet gehad hebben, of een verzoek om internationale bescherming (VIB) moet hebben ingediend. Het Hof vernietigt deze voorwaarde omdat die in de praktijk onmogelijk is voor staatlozen, onevenredige gevolgen heeft, en de behandeling van verzoeken om internationale bescherming kan vertragen. Via het VIB zou ook een andere lidstaat van de Europese Unie aangewezen kunnen worden als verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het VIB, terwijl die staat misschien niet dezelfde waarborgen biedt aan staatlozen. Dat wil zeggen dat dit geen reden meer is voor onontvankelijkheid van de aanvraag. De aanvraag kan dus ook ingediend worden vanuit onwettig verblijf, zonder dat de aanvrager ooit al een verblijfsrecht gehad moet hebben.
  • Het Hof stelt dat de mogelijkheid om de aanvrager te horen tijdens de procedure tot verblijf wegens staatloosheid niet voldoende is: elke aanvrager móet gehoord worden. Dat is een essentiële voorwaarde om na te gaan of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor het verblijf wegens staatloosheid. Zeker omdat het voor staatlozen, die zich in een kwetsbare positie bevinden, heel moeilijk of zelfs onmogelijk kan zijn om schriftelijke bewijzen voor te leggen. Artikel 57/43, §1 Vw wordt vernietigd omdat het enkel voorziet in de mogelijkheid om de aanvrager te horen, en niet in de verplichting. 
  • Het Hof vernietigt ook art. 57/45 Vw omdat dit artikel het verblijfsrecht van vijf jaar niet laat starten op het moment van de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de familierechtbank tot erkenning als staatloze, zo die beslissing er is. Het Hof stelt daarbij dat er geen verplichting is, noch Europeesrechtelijk, noch op basis van het Verdrag van New York inzake de status van staatlozen, noch op basis van het declaratieve karakter van de erkenning als staatloze, om een voorlopig verblijfsrecht te voorzien tijdens de procedure, zoals dat voor verzoekers om internationale bescherming wel is. Deze vernietiging betekent dat het tijdelijk verblijf van vijf jaar van de A kaart bij positieve beslissing van DVZ begint te tellen vanaf de definitief geworden gerechtelijke beslissing inzake staatloosheid, als die er is. En dus zal er vijf jaar na de definitieve rechterlijke beslissing inzake staatloosheid, en niet vijf jaar na afgifte van de A kaart, recht zijn op een definitief verblijf.
  • Het Hof stelt dat de aanvrager een bewijs van indiening van de aanvraag moet krijgen, en dat er tijdens de procedure geen maatregel tot verwijdering van het grondgebied of tot terugdrijving gedwongen kan worden uitgevoerd, behalve om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.

Zelfde rechten voor staatloze erkend door familierechtbank of met verblijf van DVZ

In de verblijfsprocedure voor staatlozen bij DVZ wordt onderzocht of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de Status van Staatlozen. Dat is volgens het Hof de reden dat personen met een verblijfsrecht als staatloze op grond van art. 57/37 en verder Vw dezelfde rechten hebben als staatlozen die erkend worden als staatloze door de familierechtbank op basis van art. 572bis, 1° Gerechtelijk wetboek. Dat wil zeggen dat ook personen die geen erkenning als staatloze door de familierechtbank hebben, maar wel een verblijf als staatloze van DVZ, recht hebben op: 

  • een reisdocument voor staatlozen (art. 57 Consulair wetboek)
  • documenten van het CGVS (die normaal door de nationale overheden worden afgeleverd)
  • het indienen van een naturalisatieaanvraag als staatloze op grond van art. 19, §2 Wetboek van de Belgische nationaliteit.

Ook moet de nationaliteit in het rijksregister in de code IT031 gewijzigd worden naar ‘staatloos’ in beide situaties.