Verzoek internationale bescherming in België volstaat voor gegronde vrees voor vervolging in Burundi?
In het kort
Niet elke Burundees die vanuit België naar Burundi terugkeert heeft a priori een gegronde vrees voor vervolging of loopt een reëel risico op ernstige schade louter en alleen omwille van een verblijf of verzoek om internationale bescherming in België. Die vrees en dat risico hangen af van individuele factoren zoals etniciteit, geografische herkomst, persoonlijke of familiale banden oppositieleden en de zichtbaarheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) interpreteert de vrees voor vervolging in de arresten 336.435 en 336.436 van 21-11-2025 in algemene vergadering enger dan in eerdere rechtspraak.
Op 17-3-2025 oordeelde de RvV in arrest 323.409 met drie rechters nog dat er een (weerlegbaar) vermoeden van toegeschreven politieke overtuigingen was ten aanzien van Burundezen die in België een verzoek om internationale bescherming (IB) hadden ingediend. Op 10-2-2025 stelde de RvV in arrest 321.368 met drie rechters dat het loutere feit dat de Burundese verzoeker in België had verbleven of er bescherming had gevraagd, voldoende was in het concrete geval om een gegronde vrees voor vervolging te vermoeden. Hiermee bevestigde de RvV haar eerdere rechtspraak zoals bijvoorbeeld arrest 282.471 van 22-12-2022.
Rechtspraak vanaf eind 2025: geen a priori gegronde vrees voor vervolging
De Raad wijst erop dat de meeste bronnen melding maken van ernstige problemen bij terugkeer enkel wanneer er sprake is van een specifiek profiel. Hierbij worden volgende profielen geïdentificeerd:
- leden van de politieke oppositie: leden van bepaalde politieke partijen, bewegingen of organisaties die in Burundi zijn uitgesloten of geschorst;
- personen wiens mening telt: een leider of een lid van het maatschappelijk middenveld bijvoorbeeld;
- personen die door de Burundese justitie zijn veroordeeld wegens hun betrokkenheid bij de poging tot staatsgreep in 2015;
Ook het gedrag van de betrokkene, met name het feit of de persoon in het buitenland politieke activiteiten heeft ontplooid die als schadelijk voor de Burundese regering worden beschouwd (en het op de hoogte zijn van de regering hiervan), zijn bepalend.
Het loutere verblijf in België en de indiening van een asielaanvraag vormen op zichzelf geen a priori risico op vervolging. Wel zijn er enkele verzwarende factoren die van invloed kunnen zijn, zoals de etniciteit van de verzoeker, kennis van de Burundese autoriteiten van het VIB, banden met leden van de oppositie, eerder problemen met autoriteiten en gedrag en activiteiten van verzoeker in België.
Rechtspraak vanaf eind 2022: VIB in België kan volstaan (weerlegbaar vermoeden)
De RvV benadrukt dat de landeninformatie met betrekking tot de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Burundi zeer zorgwekkend is en moet leiden tot een grote voorzichtigheid wanneer we verzoeken om internationale bescherming (IB) van personen afkomstig van Burundi beoordelen. Vervolgens verwijst de RvV naar haar eerdere rechtspraak in arrest 282.471 van 22 december 2022, waarin landeninformatie over het risico voor Burundezen bij terugkeer tot de volgende conclusie leidde:
- er waren weliswaar nog geen gevallen bekend van Burundezen die na een verblijf in België (al dan niet als verzoeker om IB) bij terugkeer in Burundi louter om die reden vervolgd werden;
- Burundezen die in België verbleven als verzoeker om IB, konden in de ogen van het regime wel verdacht worden van sympathieën voor de oppositie;
- het koesteren van sympathieën voor de oppositie volstond om een ernstig risico op vervolging te lopen omwille van (toegeschreven) politieke overtuiging;
- het loutere feit in België internationale bescherming te hebben gevraagd, volstond daarom om een gegronde vrees voor vervolging omwille van (toegeschreven) politieke overtuiging te koesteren.
In het arrest 321.368 van 10 februari 2025 komt de RvV op basis van geactualiseerde landeninformatie over het risico voor Burundezen bij terugkeer (COI Focus 15 mei 2023 en COI Focus 21 juni 2024) tot hetzelfde besluit. Hoewel het loutere feit in België verbleven te hebben geen risico inhoudt bij terugkeer, kan het indienen van een verzoek om IB ertoe leiden dat men als opposant wordt beschouwd en daarom vervolgd wordt. De RvV vereist niet dat de verzoeker aantoont dat de Burundese autoriteiten effectief op de hoogte zijn van zijn verzoek om IB in België, omdat uit landeninformatie voldoende blijkt dat Burundese autoriteiten over middelen beschikken om dit te achterhalen of om dit te vermoeden. Bovendien zijn er verschillende elementen eigen aan het profiel van de verzoeker die de aandacht kunnen trekken van de Burundese autoriteiten:
- de verzoeker is Tutsi, en deze etnische groep wordt sneller verdacht van banden met de oppositie;
- hij heeft zijn paspoort niet meer, waardoor terugkeer via een laissez-passer moet worden georganiseerd en dit de aandacht kan trekken;
- hij verblijft al sinds september 2022 in België;
- hij woont in een opvangcentrum voor asielzoekers.
Rechtspraak voor eind 2022: VIB in België volstaat niet
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) oordeelde in arresten van 4 en 9 augustus 2022 dat het indienen van een verzoek om internationale bescherming (VIB) in België niet volstaat om een gegronde vrees voor vervolging te hebben in Burundi. In beide zaken vroegen verzoekers in eerste instantie internationale bescherming in België omdat ze vreesden voor vervolging omwille van hun politieke overtuiging. Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) weigerde in beide zaken de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming. Verzoekers wezen de RvV op de problemen die zij zouden ondervinden als ze terug naar Burundi gaan nadat ze een VIB in België indienden. De RvV herinnerde eraan dat verzoekers concreet moeten aantonen dat zij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging hebben.
Algemene rapporten over discriminatie of schendingen van de mensenrechten tegen leden van een etnische of politieke groep in een land volstaan niet om vast te stellen dat iemand die lid is van die groep moet vrezen voor vervolging. Verzoekers moeten concreet aantonen dat zij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging hebben. Er zijn geen aanwijzingen dat verzoeker bij terugkeer naar Burundi een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 48/4, lid 2 van de Verblijfswet.
Sinds 2019 vermeldt geen enkel internationaal rapport over de mensenrechtensituatie in Burundi dat er problemen zijn bij de terugkeer van Burundese onderdanen uit België. Het CGVS heeft geen informatie dat Burundese onderdanen die in België een VIB indienden problemen ondervinden bij terugkeer naar Burundi. De RvV oordeelt dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Burundi omdat hij een VIB in België indiende.
Bericht van Vluchtelingenwerk en Agentschap Integratie en Inburgering
Meer info
- RvV 21 november 2025, nr. 336.435
- RvV 21 november 2025, nr. 336.436
- RvV 17 maart 2025, nr. 323.409
- RvV 10 februari 2025, nr. 321.368
- RvV 30 mei 2024, nr. 307.575
- RvV 22 december 2022, nr. 282.473
- RvV 4 augustus 2022, nr. 275.746
- RvV 9 augustus 2022, nr. 275.823
- Lees ook ons artikel 'De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beveelt grote voorzichtigheid aan bij de beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers uit Burundi'