Samenvatting
Niet elke Burundees die vanuit België naar Burundi terugkeert heeft a priori een gegronde vrees voor vervolging of loopt een reëel risico op ernstige schade louter en alleen omwille van een verblijf of verzoek om internationale bescherming in België. Die vrees en dat risico hangen af van individuele factoren zoals etniciteit, geografische herkomst, persoonlijke of familiale banden oppositieleden en de zichtbaarheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen interpreteert de vrees voor vervolging in de arresten 336.435 en 336.436 van 21-11-2025 in algemene vergadering enger dan in eerdere rechtspraak.
De Raad wijst erop dat de meeste bronnen melding maken van ernstige problemen bij terugkeer enkel wanneer er sprake is van een specifiek profiel. Hierbij worden volgende profielen geïdentificeerd:
- leden van de politieke oppositie: leden van bepaalde politieke partijen, bewegingen of organisaties die in Burundi zijn uitgesloten of geschorst;
- personen wiens mening telt: een leider of een lid van het maatschappelijk middenveld bijvoorbeeld;
- personen die door de Burundese justitie zijn veroordeeld wegens hun betrokkenheid bij de poging tot staatsgreep in 2015;
Ook het gedrag van de betrokkene, met name het feit of de persoon in het buitenland politieke activiteiten heeft ontplooid die als schadelijk voor de Burundese regering worden beschouwd (en het op de hoogte zijn van de regering hiervan), zijn bepalend.
Het loutere verblijf in België en de indiening van een asielaanvraag vormen op zichzelf geen a priori risico op vervolging. Wel zijn er enkele verzwarende factoren die van invloed kunnen zijn, zoals de etniciteit van de verzoeker, kennis van de Burundese autoriteiten van het VIB, banden met leden van de oppositie, eerder problemen met autoriteiten en gedrag en activiteiten van verzoeker in België.