Samenvatting
Op 4 februari 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de zaak T.G. tegen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De zaak vloeit voort uit een geschil tussen T.G., een Eritrese staatsburger met internationale bescherming in Nederland, en de Nederlandse minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. T.G. kreeg een boete van €500 opgelegd wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen binnen de voorgeschreven termijn, zoals vereist door de Nederlandse wet. Daarnaast moest hij een lening van €10.000 terugbetalen die hij van de overheid had ontvangen om de kosten van het inburgeringsprogramma te dekken.
In dit kader vroeg de Nederlandse Raad van State het Hof om uitleg over artikel 34 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: ‘richtlijn 2011/95/EU’).
Het Hof verduidelijkte de reikwijdte en doelstellingen van artikel 34 van richtlijn 2011/95/EU op basis van de bewoordingen, context en doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Het Hof oordeelde dat lidstaten verplicht zijn de integratie van vluchtelingen en subsidiair beschermden te bevorderen door hen toegang te geven tot integratieprogramma’s die zijn afgestemd op hun specifieke behoeften.
Het Hof oordeelde dat artikel 34 van richtlijn 2011/95/EU lidstaten niet verbiedt een inburgeringscursus op te leggen, mits daarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de personen die internationale bescherming genieten. Het niveau van het inburgeringsexamen mag niet hoger zijn dan wat strikt noodzakelijk is voor integratie. Bovendien moet iemand kunnen worden vrijgesteld indien deze persoon kan aantonen reeds voldoende geïntegreerd te zijn in de samenleving van de betrokken lidstaat.
Het Hof stelde echter vast dat het stelselmatig beboeten van het niet behalen van het examen onverenigbaar is met EU-recht. Een boete mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden opgelegd, namelijk wanneer uit objectieve elementen blijkt dat er bij de betrokken persoon sprake is van een bewezen en aanhoudend gebrek aan bereidheid tot integratie. Daarnaast mogen boetes geen buitensporige financiële last opleggen.
Verder oordeelde het Hof dat het volledig aanrekenen van de kosten van inburgeringstrajecten en -examens strijdig is met artikel 34 van richtlijn 2011/95/EU. Dit vormt immers een financiële drempel die de toegang tot integratieprogramma’s belemmert. Ook de steun vanwege de overheid in de vorm van een overheidslening lost dit probleem niet op, omdat de verplichting om grote bedragen terug te betalen volgens het Hof financiële onzekerheid creëert en deelname aan inburgering kan ontmoedigen.
Het Hof stelde dat lidstaten in sommige gevallen een redelijke financiële bijdrage mogen vragen van personen met voldoende middelen, maar dat inburgeringsmaatregelen in de basis kosteloos moeten zijn. Financiële obstakels mogen immers de effectieve integratie en de doelstellingen van artikel 34 van richtlijn 2011/95/EU niet ondermijnen.