Hof van beroep Brussel - 2024/KR/96 - 22-04-2025

Samenvatting

In dit geval had de verzoeker een hernieuwing van zijn gecombineerde vergunning aangevraagd bij het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gewest had de hernieuwing van de toelating tot werk aanvankelijk geweigerd, maar na een beroepsprocedure bij de Brusselse minister van werk kwam er toch een toelating.

Artikel 61/25-2, § 2 en 61/25-5, § 1, 3 Verblijfswet laten toe dat een aanvraag voor een (hernieuwing van een) gecombineerde vergunning vanuit België wordt ingediend als de betrokkene in wettig kort of lang verblijf is. In dat geval wordt de beslissing bezorgd aan het adres van de betrokkene in België en de gemeente van zijn verblijf, overeenkomstig artikel 61/25-2, § 7 Verblijfswet en 105/2 Verblijfsbesluit.

Volgens DVZ is het bovenstaande niet meer van toepassing wanneer het gewest de aanvraag in eerste instantie weigert:

- de beroepsprocedure op gewestelijk niveau heeft geen schorsende werking
- hierdoor wordt de aanvraag tot hernieuwing afgesloten door de weigeringsbeslissing van het gewest

Op basis van deze redenering bezorgde de DVZ de beslissing tot toekenning van de gecombineerde vergunning (bijlage 46) in dit geval aan de Belgische ambassade in het land van herkomst van verzoeker.

Volgens het Hof van Beroep van Brussel staat het niet ter discussie dat het wel nog om een hernieuwingsaanvraag gaat:

- de aanvraag tot verlenging werd weliswaar laattijdig ingediend, maar noch het Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, noch de Verblijfswet, voorzien hiervoor een sanctie
- de aanvraag werd door het gewest en DVZ wel degelijk als een hernieuwingsaanvraag behandeld, wat onder andere blijkt uit het feit dat er geen retributie diende betaald te worden
- de hernieuwing van de gecombineerde vergunning werd goedgekeurd, enkel de modaliteiten betreffende de wijze van aflevering staan ter discussie.

Er kan volgens het Hof dan ook niet worden vastgesteld dat de aanvraag tot hernieuwing werd afgesloten door de aanvankelijke weigeringsbeslissing van het gewest.

De verzoeker verbleef op basis van zijn eerder toegekende gecombineerde vergunning wettig op het grondgebied op het ogenblik van de hernieuwingsaanvraag, en voldeed dus aan de voorwaarde opgelegd door artikel 61/25-2, § 2 en 61/25-5, § 1, 3 Verblijfswet. De bijlage 46 had overeenkomstig artikel 61/25-2, § 7 Verblijfswet en 105/2 Verblijfsbesluit in België moeten worden afgeleverd aan verzoeker en de gemeente. DVZ wist dat verzoeker in België verbleef en kende zijn adres.

Het Hof besluit in kort geding tot het opleggen van voorlopige maatregelen om deze fout van de Belgische staat te remediëren en veroordeelt DVZ tot het binnen de vijf werkdagen afleveren van de bijlage 46 aan de betrokkene en de gemeente in België onder een dwangsom van 500 euro per dag.

Meer info