HvB Brussel: bij hernieuwingsaanvraag vanuit wettig verblijf moet DVZ gecombineerde vergunning in België afleveren, ook na beroep bij gewestelijke minister

In het kort

Wanneer een aanvraag voor een hernieuwing van een gecombineerde vergunning vanuit wettig verblijf in België werd aangevraagd, moet de beslissing in België aan de verzoeker en de gemeente worden afgeleverd; en dus niet aan de ambassade in het buitenland. Het feit dat de toelating tot werk door het gewest pas werd goedgekeurd na een beroepsprocedure bij de gewestelijke minister van werk verandert hier niets aan. Dat zegt het Hof van Beroep van Brussel in kort geding in een arrest van 22-4-2025. 

In een reactie aan onze dienst laat DVZ weten hun standpunt niet te zullen wijzigen naar aanleiding van dit arrest. Zij zullen de beslissing dus wel naar de ambassade in het buitenlands sturen. In zulk geval is het dus mogelijk om aan de gewone hoven- en rechtbanken in kort geding de aflevering van de bijlage 46 in België te vragen als voorlopige maatregel.

Aanvraag hernieuwing vanuit wettig verblijf, maar goedkeuring gewest pas na beroep

In dit geval had de verzoeker een hernieuwing van zijn gecombineerde vergunning aangevraagd bij het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gewest had de hernieuwing van de toelating tot werk aanvankelijk geweigerd, maar na een beroepsprocedure bij de Brusselse minister van werk kwam er toch een toelating.

Artikel 61/25-2, § 2 en 61/25-5, § 1, 3 Verblijfswet laten toe dat een aanvraag voor een (hernieuwing van een) gecombineerde vergunning vanuit België wordt ingediend als de betrokkene in wettig kort of lang verblijf is. In dat geval wordt de beslissing bezorgd aan het adres van de betrokkene in België en de gemeente van zijn verblijf, overeenkomstig artikel 61/25-2, § 7 Verblijfswet en 105/2 Verblijfsbesluit. 

Volgens DVZ is het bovenstaande niet meer van toepassing wanneer het gewest de aanvraag in eerste instantie weigert: 

  • de beroepsprocedure op gewestelijk niveau heeft geen schorsende werking
  • hierdoor wordt de aanvraag tot hernieuwing afgesloten door de weigeringsbeslissing van het gewest

Op basis van deze redenering bezorgde de DVZ de beslissing tot toekenning van de gecombineerde vergunning (bijlage 46) in dit geval aan de Belgische ambassade in het land van herkomst van verzoeker.

HvB: aanvraag tot hernieuwing niet afgesloten door aanvankelijke weigering gewest

Volgens het Hof van Beroep van Brussel staat het niet ter discussie dat het wel nog om een hernieuwingsaanvraag gaat: 

  • de aanvraag tot verlenging werd weliswaar laattijdig ingediend, maar noch het Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, noch de Verblijfswet, voorzien hiervoor een sanctie
  • de aanvraag werd door het gewest en DVZ wel degelijk als een hernieuwingsaanvraag behandeld, wat onder andere blijkt uit het feit dat er geen retributie diende betaald te worden
  • de hernieuwing van de gecombineerde vergunning werd goedgekeurd, enkel de modaliteiten betreffende de wijze van aflevering staan ter discussie. 

Er kan volgens het Hof dan ook niet worden vastgesteld dat de aanvraag tot hernieuwing werd afgesloten door de aanvankelijke weigeringsbeslissing van het gewest. 

De verzoeker verbleef op basis van zijn eerder toegekende gecombineerde vergunning wettig op het grondgebied op het ogenblik van de hernieuwingsaanvraag, en voldeed dus aan de voorwaarde opgelegd door artikel 61/25-2, § 2 en 61/25-5, § 1, 3 Verblijfswet. De bijlage 46 had overeenkomstig artikel 61/25-2, § 7 Verblijfswet en 105/2 Verblijfsbesluit in België moeten worden afgeleverd aan verzoeker en de gemeente. DVZ wist dat verzoeker in België verbleef en kende zijn adres.

Het Hof besluit in kort geding tot het opleggen van voorlopige maatregelen om deze fout van de Belgische staat te remediëren en veroordeelt DVZ tot het binnen de vijf werkdagen afleveren van de bijlage 46 aan de betrokkene en de gemeente in België onder een dwangsom van 500 euro per dag.

Wat bij eerste aanvraag?

Het Hof stelt bijkomstig in zijn arrest ook dat verzoeker in principe in wettig verblijf verbleef tijdens de hernieuwingsaanvraag. Artikel 61/25-3, al. 2 Verblijfswet voorziet de toekenning van een voorlopig verblijfsdocument (bijlage 49) bij hernieuwingsaanvragen. Dat de verzoeker niet in het bezit was van dit document en dat het in deze zaak niet vaststaat dat hij de gemeente hier om verzocht heeft, is volgens het Hof niet belangrijk.

Bij eerste aanvragen vanuit wettig verblijf is een voorlopig verblijf echter niet voorzien. 

  • Er bestaat in het geval van een statuutwissel vanuit een ander lang wettig verblijf een gedoogbeleid waardoor de beslissing tot toekenning van een gecombineerde vergunning wel nog in België wordt afgeleverd als het wettig verblijf van de betrokkene tijdens de behandelingstermijn verlopen is.
  • In de praktijk past DVZ dit gedoogbeleid niet toe bij aanvragen vanuit een kort wettig verblijf of wanneer de aanvraag vanuit lang wettig verblijf door het gewest pas wordt goedgekeurd na een beroepsprocedure.

De hierboven besproken redenering van het Hof lijkt echter ook toepasbaar op eerste aanvragen voor een gecombineerde vergunning vanuit wettig kort of lang verblijf in België. Het Hof stelt immers dat het al dan niet in het bezit zijn van een voorlopig verblijfsdocument, niet relevant is om de plaats van aflevering van de beslissing te bepalen. Wel belangrijk volgens het Hof is de vaststelling dat de verzoeker op het ogenblik van de indiening van de aanvraag in wettig verblijf verbleef. Artikel 61/25-2, § 2 en 61/25-5, § 1, 3 Verblijfswet maken op dat vlak geen onderscheid tussen kort en lang wettig verblijf.

Reactie DVZ

In een reactie op dit bericht liet DVZ aan onze dienst weten dat zij hun hierboven besproken praktijk niet zullen wijzigen op basis van dit arrest. Op basis van artikel 6 en 23 Gerechtelijk Wetboek en het feit dat het slechts om een arrest in kort geding gaat, zijn zij slechts gebonden voor het individuele dossier waarop het arrest betrekking heeft.