Samenvatting
In zaak C-97/24 boog het Hof zich over de uitlegging van de voorwaarden waaronder een lidstaat aansprakelijk kan worden gesteld wegens schending van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna: Opvangrichtlijn) en van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). In de voorliggende zaak hadden twee volwassen mannen in Ierland een verzoek om internationale bescherming ingediend, maar omdat de opvangcentra voor asielzoekers volzet waren kregen zij geen huisvesting en geen dagvergoeding toegewezen. Verzoekers verbleven op straat en kregen een weekvergoeding toegekend van 38 EUR. Na enkele maanden kregen zij een plaats in de opvang. Vervolgens stelden zij bij de Ierse High Court (rechter in eerste aanleg) een vordering tot schadevergoeding tegen de minister en procureur-generaal voor de geleden schade door het gebrek aan toegang tot huisvesting, voedsel, water en andere materiële opvangvoorzieningen. Die laatsten beriepen zich op overmacht, waardoor er volgens hen geen recht op schadevergoeding zou ontstaan.
Het Hof verwees eerst naar zijn vaste rechtspraak, volgens welke particulieren die zijn benadeeld doordat een lidstaat het Unierecht heeft geschonden, recht hebben op schadevergoeding mits aan drie voorwaarden is voldaan. Die voorwaarden houden in dat het geschonden Unierechtelijke voorschrift ertoe strekt hun rechten toe te kennen, dat het om een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift gaat en dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door die particulieren geleden schade. In huidige zaak stonden de schending en het causaal verband met de schade vast, maar moest er worden vastgesteld of het een voldoende gekwalificeerde schending ging.
In eerdere rechtspraak bepaalde het Hof reeds dat een schending voldoende gekwalificeerd is wanneer een lidstaat de grenzen waarbinnen hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft overschreden. In een situatie waarin de lidstaat echter slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge had, kan de enkele inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan.
Artikel 17 van de Opvangrichtlijn bepaalt dat lidstaten materiële opvangvoorzieningen moeten waarborgen voor verzoekers om internationale bescherming. Die moeten een levensstandaard garanderen die hun bestaansmiddelen verzekert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt. Artikel 18 bepaalt de vereisten waar huisvesting in natura aan moet voldoen. Er wordt in lid 9 bepaald dat de lidstaten bij wijze van uitzondering andere dan de in dat artikel 18 genoemde materiële opvangvoorzieningen mogen vaststellen voor een zo kort mogelijke, redelijke termijn, onder meer indien de gewoonlijk beschikbare huisvestingscapaciteit tijdelijk uitgeput is, maar dat minstens de basisbehoeften moeten worden gedekt. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de algemene opzet van de richtlijn en de in acht te nemen grondrechten zich ertegen verzetten dat een verzoeker om internationale bescherming de bescherming wordt ontnomen die door deze minimumnormen wordt geboden. Zij moeten materiële opvang bieden die de basisbehoeften dekt van een persoon die internationale bescherming aanvraagt en niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt om een levensstandaard te behouden die zijn gezondheid en zijn levensonderhoud, waaronder huisvesting, waarborgt.
Het Hof concludeert dat in situaties waarin regels werden vastgesteld die een regeling invoeren met resultaatsverplichtingen, ook voor het geval zich onvoorziene en onafwendbare gebeurtenissen of andere toevallige omstandigheden voordoen, men zich niet op zulke gebeurtenissen of toevalligheden kan beroepen om aan deze verplichtingen te ontsnappen. Het kan daarom niet worden geaccepteerd dat een lidstaat de verplichtingen uit de afwijkende regeling van artikel 18, lid 9, b) van de Opvangrichtlijn toepast door te verwijzen naar de tijdelijke uitputting van de huisvestingscapaciteit die gewoonlijk beschikbaar is voor verzoekers om internationale bescherming. De rechtbank moet daarom niet beoordelen of er een situatie is van overmacht. Zulke schending is voldoende gekwalificeerd om het recht te geven op schadevergoeding.