HvJ: gebrek aan toegang materiële opvang kan schending van Unierecht vormen waarbij lidstaat schade moet vergoeden
In het kort
Een lidstaat die meerdere weken een verzoeker om internationale bescherming (VIB) geen toegang geeft tot materiële opvangvoorzieningen in de zin van Opvangrichtlijn 2013/33/EU kan zijn aansprakelijkheid niet ontwijken door zich te beroepen op de tijdelijke uitputting van de gewoonlijk beschikbare huisvestingscapaciteiten als gevolg van een toestroom die onvoorzienbaar en onafwendbaar zou zijn geweest. Zulk verzuim kan een ‘voldoende gekwalificeerde schending’ van het Unierecht vormen, waarbij de VIB een schadevergoeding kan eisen van de lidstaat. Dat lezen we in arrest C-97/24 van 1-8-2025 van het Hof van Justitie.
De zaken hadden betrekking op schadevorderingen ingesteld door een Indische en Afghaanse onderdaan. Nadat zij in Ierland een verzoek om internationale bescherming hadden ingediend, hadden zij gedurende meerdere weken geen huisvesting, voedsel, water of andere materiële opvangvoorzieningen. De Ierse overheid beriep zich echter op een situatie van overmacht, waardoor de schending niet voldoende ‘gekwalificeerd’ zou zijn en zij niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de schadeclaim.
Uitputting gebruikelijke huisvestingscapaciteit doet geen afbreuk aan plicht om in basisbehoeften te voorzien
Artikel 17 van de Opvangrichtlijn bepaalt dat de lidstaten materiële opvang moeten voorzien bij het indienen van een verzoek om internationale bescherming (VIB). Lidstaten hebben weliswaar een beoordelingsmarge voor de vorm en het niveau van de voorzieningen, maar zij mogen niet nalaten, zelfs niet tijdelijk, te voorzien in de basisbehoeften. Artikel 17 lid 2 Opvangrichtlijn stelt namelijk dat de voorzieningen van de VIB een levensstandaard moeten bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt. Dit is een absolute verplichting die volgt uit artikel 1 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. De verzadiging van het opvangnetwerk kan geen rechtvaardiging vormen om op enige wijze af te wijken van de in het Unierecht vastgestelde minimumnormen voor opvang.
Lidstaat kan aansprakelijk gesteld worden als deze niet voorziet in basisbehoeften
Het Hof was van oordeel dat Ierland zich niet kon beroepen op de uitputting van de capaciteit van de gebruikelijke opvangvoorziening om te argumenteren dat zij niet aansprakelijk is voor de schade. Het Hof benadrukt in dit kader de volgende zaken:
- Het blijkt nergens uit dat Ierland niet in staat was om de personen onder te brengen buiten het reguliere opvangsysteem om.
- De Ierse autoriteiten hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om financiële uitkeringen of tegoedbonnen te verstrekken, terwijl zij wel over voldoende middelen beschikten.
Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een onvoorzienbare en onafwendbare gebeurtenis in dit geval. De lidstaat heeft belet om materiële opvangvoorzieningen in natura of, in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen te verstrekken. Verder blijft de lidstaat in het geval van een resultaatsverbintenis zelfs bij onvoorzienbare en onafwendbare gebeurtenissen aansprakelijk.
Een dergelijk verzuim vormt een ‘voldoende gekwalificeerde schending’ van het Unierecht waarbij particulieren een vergoeding kunnen eisen voor de geleden schade.