Samenvatting
Het geval van verzoekster wordt dus gekenmerkt door het feit dat er naast een vertrek uit het Rijk van haar echtgenoot/burger van de Unie op 12 april 2024, ook sprake is van een echtscheiding met deze. Die echtscheiding werd uitgesproken op 19 juni 2024 en werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 20 juli 2024.
Ten eerste stelt zich theoretisch de vraag of er toch sprake kan zijn van een behoud van verblijfsrecht van een derdelander in geval van een combinatie van echtscheiding met een vertrek van de burger van de Unie uit het Rijk.
Het past te dezen om nuttige rechtspraak van het Hof van Justitie te raadplegen, vermits de bovenvermelde bepalingen van de Vreemdelingenwet de omzetting vormen van de artikelen 12 en 13 van de richtlijn 2004/38/EG.
- In een arrest van het Hof van Justitie van 30 juni 2016 in zaak C-115/15, heeft het Hof het volgende gesteld:
“34. In dit verband heeft het Hof met betrekking tot artikel 13, lid 2, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2004/38 reeds geoordeeld dat indien de echtgenoot, die Unieburger is, het gastland vóór de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding verlaat om zich in een andere lidstaat of in een derde land te vestigen, het afgeleide verblijfsrecht dat de derdelander krachtens artikel 7, lid 2, van richtlijn 2004/38 geniet, vervalt bij het vertrek van de Unieburger en het dus niet meer kan worden behouden op grond van artikel 13, lid 2, eerste alinea, onder a), van die richtlijn (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Singh e.a., C-218/14, EU:C:2015:476, punt 62).
35. In een dergelijke situatie is met het vertrek van de echtgenoot, die Unieburger is, het verblijfsrecht van de in het gastland achterblijvende echtgenoot, die derdelander is, immers reeds vervallen. Een later verzoek tot echtscheiding kan niet tot gevolg hebben dat het verblijfsrecht herleeft, aangezien artikel 13 van richtlijn 2004/38 enkel spreekt van het „behoud” van een bestaand verblijfsrecht (zie arrest van 16 juli 2015, Singh e.a., C-218/14, EU:C:2015:476, punt 67).”
- In het in het voormelde arrest aangehaald arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2015 in zaak C-218/14 stelde het Hof op een positieve wijze:
“66. Derhalve dient te worden vastgesteld dat de burger van de Unie die de echtgenoot van een derdelander is, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 2004/38 in het gastland moet verblijven tot op de datum van de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, opdat die derdelander recht heeft op het behoud van zijn verblijfsrecht in die lidstaat op grond van artikel 13, lid 2, van die richtlijn.”
Het is dus mogelijk dat de combinatie echtscheiding-vertrek uit het Rijk van de Unieburger aanleiding kan geven tot het behoud van het verblijfsrecht van de derdelander die getrouwd was met deze Unieburger. Het is in dit verband, gezien de in punt 2.8. vermelde rechtspraak, van belang om aan te tonen dat de gerechtelijke procedure tot echtscheiding reeds was aangevat alvorens de echtgenoot/burger van de Unie uit het Rijk vertrok. Tevens moet dan ook nog worden aangetoond dat het huwelijk dan ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk en dat de derdelander-ex-echtgenoot beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.10. Voor wat betreft de eerste kwestie stelt verzoekster in haar verzoekschrift dat de aanvang van de gerechtelijke procedure ten vroegste is opgestart op 3 april 2024, middels de “regelingsakte EOT (echtscheiding onderlinge toestemming)” opgesteld door een notaris. Deze akte voegt ze als stuk 3 bij het verzoekschrift. In de aanhef van deze akte kan worden gelezen dat het gaat over het akteren van gesloten overeenkomsten tussen verzoekster en haar toenmalige echtgenoot, voorafgaand aan de E.O.T. Uit punt E op pagina 4 van deze akte blijkt, zoals verzoekster het stelt in haar verzoekschrift, dat haar echtgenoot toen nog in het Rijk verbleef. Dit wordt ook bevestigd door het in punt 1.6. vermelde bericht van de gemeente Nieuwpoort dat verzoekster echtgenoot op 12 april 2024 het land heeft verlaten. Uit dit punt E blijkt ook dat de uitgewerkte regeling die werd genoteerd, zal terugwerken tot op de datum dat de betrokkenen feitelijk afzonderlijk zijn gaan wonen, namelijk op 1 december 2023. Onder het kopje “Slot” van de voormelde “regelingsakte EOT” kan worden gelezen dat de uitwerking van alle bedingen slechts definitief wordt indien de echtscheiding wordt uitgesproken. De uitkomst lijkt bijgevolg te zijn dat de gerechtelijke procedure tot echtscheiding reeds was aangevat alvorens verzoeksters echtgenoot uit het Rijk vertrok.
Voor wat betreft de tweede kwestie: het vertrekpunt van de duur van verzoeksters huwelijk is 27 januari 2020, het vertrekpunt van de duur van haar huwelijk in België is 30 januari 2020, wanneer ze terugkeert uit Roemenië om vervolgens een zestal maanden later een verblijfskaart aan te vragen als familielid van een burger van de Unie. Als geteld wordt van 27 januari 2020/30 januari 2020 tot 3 april 2024 (opstart gerechtelijke procedure), heeft verzoeksters huwelijk minstens drie jaar geduurd waarvan 1 jaar in België. Ook als de in artikel 42quater §1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet vermelde beëindigingsgrond van gebrek aan gezamenlijke vestiging van toepassing zou zijn, waarvan verderop in de bestreden beslissing lijkt sprake te zijn wanneer er gesteld wordt “Wat betrokkenes gezinssituatie betreft, is het overduidelijk dat er geen sprake meer is van een gezinscel met de referentiepersoon”, zou deze drie jaar geduurd hebben, conform het gestelde in artikel 42quater §4, eerste lid, 1° van de Vreemdelingenwet. Immers nam deze gezamenlijke vestiging dan een aanvang op 1 juli 2020, toen verzoekster een aanvraag indiende tot afgifte van een verblijfkaart als burger van de Unie en stopte deze vestiging op 1 december 2023 gezien de feitelijke scheiding tussen verzoekster en haar echtgenoot in de bovenvermelde “regelingsakte EOT” op deze datum werd gesitueerd.
Voor wat betreft de derde kwestie, wijst verzoekster erop dat ze een vaste tewerkstelling heeft. Dit wordt ook niet betwist in bestreden beslissing aangezien hierin kan worden gelezen: “Ten slotte blijkt uit de voorgelegde stukken dat betrokkene sedert augustus 2022 tewerkgesteld is bij Proxy Delhaize / Silvershop.” Het wordt ook niet betwist in de nota met opmerkingen.
Gezien al het voormelde lijkt het erop dat verzoekster aanspraak kon maken op het behoud van verblijfsrecht, ook al is haar ex-echtgenoot uit het Rijk vertrokken.
Echter kan in de nota met opmerkingen het volgende worden gelezen: “Verzoekster voegt bij haar beroepsverzoekschrift een aantal nieuwe documenten bij, waarmee de verwerende partij geen rekening kan houden gezien deze niet ter beschikking waren bij het nemen van de bestreden beslissing. De zorgvuldigheidsplicht geldt ook voor de rechtsonderhorige of, in het kader van een wederkerig bestuursrecht, de burger. In het kader van verblijfsaanvraag rust de bewijslast bij de aanvrager die zorgvuldig moet zijn bij het indienen van de aanvraag en alle relevante stukken en elementen moet aanbrengen zodat de gemachtigde kan beoordelen of hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden. De verplichting die in dit geval rust op de verzoekende partij, kadert bijgevolg in de wederkerige zorgvuldigheidsverplichting (RvS 28 april 2008, nr. 182.450). Het is de verplichting van de verzoekende partij om ervoor te zorgen dat alle nuttige elementen/documenten de gemachtigde voor het nemen van de bestreden beslissing worden overgemaakt.
[…]
De verzoekende partij verwijst meerdere malen in haar beroepsakte naar de EOT akte dat opgemaakt is door de notaris om te bewijzen dat verzoekster 4,5 jaar getrouwd was met de referentiepersoon en haalt ze aan dat ze onder de toepassing van artikel 42quater, §4, 1° van de Vreemdelingenwet valt. Op 27/1/2020 is verzoekster in Roemenië getrouwd met de heer R.D.N.. Op 01.07.2020 bekwam verzoekster het verblijfsrecht in België. Uit de EOT akte en de verklaringen in de beroepsverzoekschrift blijkt dat verzoekster en de referentiepersoon sinds 1/12/2023 feitelijk waren gescheiden. In het administratief dossier is er een email van 12 april 2024 en 28 juni 2024 waarbij de dienst Burgerzaken van Stad Nieuwpoort aan Dienst Vreemdelingenzaken laat weten “dat mevrouw niet meer samen woont met haar echtgenoot.” Op 30.04.2024 werd de referentiepersoon ook effectief afgevoerd van ambtswege en op 19.06.2024 is de echtscheiding door de Rechtbank van Eerste Aanleg van WestVlaanderen uitgesproken. De gemachtigde heeft hieromtrent als volgt gemotiveerd in de bestreden beslissing: “Wat betrokkenes gezinssituatie betreft, is het overduidelijk dat er geen sprake meer is van een gezinscel met de referentiepersoon. De echtscheiding tussen beide werd namelijk uitgesproken op 19.06.2024 door de Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen. Betrokkene verblijft heden alleen op haar adres en heeft geen minderjarige kinderen met verblijfsrecht in België. Betrokkene maakt geen gewag van een persoon in België met wie zij een beschermenswaardig gezinsleven zou hebben. Haar gezinssituatie vormt dan ook geen beletsel voor het nemen van deze beslissing. Er is in casu geen sprake van een minimum aan relatie tussen verzoekster en de referentiepersoon, gezien de echtscheiding is uitgesproken, is er dus geen sprake van een gezinscel.”
Verweerder betwist dus niet de door verzoekster ontwikkelde hypothese van behoud van het verblijfsrecht bij combinatie vertrek uit het Rijk van de Unieburger-echtscheiding, noch haar betoog dat ze met stukken aantoont dat ze concreet aan deze hypothese voldoet. Wel is verweerder van oordeel dat hij niet beschikte over de documenten die verzoekster thans voegt bij het verzoekschrift en die haar betoog inzake behoud van het verblijfsrecht concreet stofferen. Het is inderdaad zo dat het kernpunt van verzoeksters betoog, de aanvang van de gerechtelijke procedure op 3 april 2024 en de beëindiging van de gezamenlijke vestiging op 1 december 2023, wordt aangetoond middels de “regelingsakte EOT” die werd opgesteld door een notaris en die voor het eerst bij het verzoekschrift wordt gevoegd.
De vraag stelt zich dan bij wie de zorgvuldigheidplicht in deze ligt, niet bij een verblijfsaanvraag zoals verweerder ten onrechte stelt in zijn nota, maar bij het voornemen van verweerder om het verblijfsrecht te beëindigen. Wist of behoorde verzoekster te weten dat ze de “regelingsakte EOT” diende te voegen in antwoord op de in punt 1.9. vermelde brief van verweerder of kwam het verweerder als zorgvuldig optredende overheid toe om verzoekster hierom specifiek te vragen?
De in punt 1.9. bedoelde brief van verweerder bevindt zich in het administratief dossier. Deze luidt als volgt:
“Geachte mevrouw,
Uit het administratieve dossier blijkt dat u de referentiepersoon in functie van wie u verblijfsrecht heeft verkregen België heeft verlaten. Om na te gaan of u desondanks het verblijfsrecht kan verderzetten, wordt u verzocht, in het kader van artikel 42quater, §5 van de wet van 15.12.1980, nieuwe bewijsdocumenten over te maken betreffende uw huidige situatie. Deze stukken zullen ten gronde worden onderzocht en getoetst worden aan de voorwaarden van deze wet om na te kijken of u het verblijfsrecht al dan niet kan verderzetten.
X Pagina 11 van 13
Concreet dient u binnen de maand na kennisname van deze brief (datum kennisname + 30 dagen), recente bewijzen voor te leggen:
1. Het bewijs van uw huidige activiteiten of, bij gebrek daaraan, van de bestaansmiddelen waar u heden over beschikt (in eigen hoofde of mogelijks door toedoen van derden).
- als werknemer: werkgeversattest of arbeidscontract + loonfiches
- als zelfstandige: recent bewijs van aansluiting bij sociale kas dienstig voor inschrijving in vreemdelingenregister + recent en volledig uittreksel van de kruispuntbank der ondernemingen + bewijs van het effectief uitoefenen van de zelfstandige activiteit (vb. bewijs van regelmatige inkomsten uit zelfst. act. – bewijs van storting van bezoldiging op eigen rekening)
- als beschikker van voldoende bestaansmiddelen: bewijs van voldoende bestaansmiddelen (bij tewerkstelling in buitenland: arbeidscontract + 3 recente loonfiches / bij zelfstandige activiteit in buitenland: recent uittreksel handelsregister + bewijs van inkomsten uit die zelfstandige activiteit beschikbaar voor privéuitgaven / bij uitkering: attest van uitbetalende instantie met duidelijke vermelding van de aard en de regelmaat van de uitkering/…) en ziektekostenverzekering. Alle mogelijke bewijzen van bestaansmiddelen mogen worden voorgelegd.
2. Voorts dient u een recent OCMW-attest voor te leggen, zodat onze dienst zich kan vergewissen van enige steun die u al dan niet tot op heden in België heeft genoten. Het voorgelegde attest dient de bijdragen te vermelden (indien van toepassing) die tot op heden werden uitbetaald, alsook de omstandigheden waarin u steun heeft bekomen.
3. In zoverre er humanitaire elementen zijn overeenkomstig artikel 42 quater §1, 3e lid van de wet van 15.12.1980 waarmee rekening dient gehouden te worden bij de beoordeling van het dossier, kunnen deze ook worden voorgelegd. Concreet betreft het elementen inzake de duur van uw verblijf in het Rijk, uw leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin u bindingen heeft met uw land van oorsprong. Voor zover er nadien nog geen uitsluitsel werd gegeven vanuit onze diensten met betrekking tot dit onderzoek, dient u relevante wijzigingen van uw situatie door te geven aan onze diensten. Dit tot aan de eventuele ontvangst van de F+ kaart.”
Hieruit blijkt dus niet dat verweerder verzoekster uitnodigde om documenten over te maken die konden aantonen dat ze het verblijfsrecht behield conform artikel 42quater, §1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet juncto § 4, eerste lid, 1° van voormeld artikel, ook al was haar echtgenoot/burger van de Unie uit het Rijk vertrokken. Verzoekster werd blijkens het administratief dossier niet bijgestaan door een advocaat en de Raad ziet niet in waarom verzoekster behoorde te weten dat het van belang was om de “regelingsakte EOT” over te maken. Deze beoordeling dringt zich des te meer op gezien de in punt 2.8. vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie eraan te pas komt om tot de conclusie te komen dat als de echtgenoot/burger van de Unie uit het Rijk vertrekt, er in geval van een echtscheiding een mogelijkheid is van behoud van verblijfsrecht voor een derdelander als de burger van de Unie vertrekt na de aanvang van de gerechtelijke procedure tot echtscheiding. Het dringt zich ook des te meer op gezien verweerder in de nota met opmerkingen niet ontkent dat er de mogelijkheid is van behoud van het verblijfsrecht in dergelijk geval waarop verzoekster wijst in haar verzoekschrift.
Verzoekster kan daarom worden gevolgd in haar betoog dat het een schending vormt van de zorgvuldigheidsplicht in het licht van artikel 42quater, §1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet juncto artikel 42quater §4, eerste lid, 1° van de Vreemdelingenwet door haar niet uit te nodigen stukken over te maken die kunnen aantonen dat ze het verblijfsrecht kon behouden, met name stukken die erop wijzen dat de gerechtelijke procedure tot echtscheiding reeds was aangevat alvorens verzoeksters echtgenoot uit het Rijk vertrok en dat haar huwelijk ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk of dat er sprake is van een gezamenlijke vestiging van minstens drie jaar, waarop de bestreden beslissing ook alludeert. Deze vaststelling leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.