Samenvatting
De rechtbank herinnert eraan dat materiële hulp in de zin van artikel 2, 1° Opvangwet toekomt aan elke asielzoeker vanaf het indienen van zijn asielaanvraag. Begunstigden van opvang kunnen zich beroepen op die materiële hulp voor zover zij de toelating hebben om als verzoeker op het grondgebied te verblijven. Wanneer een definitieve negatieve beslissing wordt genomen na afloop van de asielprocedure, wordt die beslissing betekend volgens artikel 1, §1, 19° Vreemdelingenwet en zal de materiële hulp eindigen.
Eisende partijen argumenteren dat hun materiële hulp nog geen einde heeft genomen gezien er geen sprake is van een definitieve negatieve beslissing. Hoewel de rechter stelt dat er inderdaad nog geen definitieve beslissing was genomen, kunnen eisende partijen niet hard maken dat de materiële hulp nog niet ten einde is.
De rechtbank wijst erop dat het recht op materiële hulp slechts open staat voor wie in de eerste plaats voldoet aan artikel 6, §1 van de Opvangwet: materiële hulp is enkel van kracht gedurende de gehele asielprocedure voor zover de begunstigde toelating heeft om op het grondgebied te verblijven. Eisende partijen hebben die toelating echter niet, mede gelet op het feit dat het hangende beroep niet schorsend is. Bijgevolg oordeelt de rechterbank dat er een einde komt aan het recht op materiële hulp.