Arbrb. Gent: ondanks openstaande beroepsmogelijkheid eindigt recht op opvang bij onontvankelijk tweede volgend verzoek om internationale bescherming
In het kort
In een vonnis van 8-1-2025 oordeelt de arbeidsrechtbank van Gent dat verzoekers geen recht meer hebben op materiële hulp nadat hun tweede volgend verzoek om internationale bescherming onontvankelijk werd verklaard door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS). Verzoekers wierpen op dat er nog geen definitieve negatieve beslissing was genomen over hun verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 6, § 1, derde lid Opvangwet waardoor hun recht op opvang nog niet ten einde liep. De arbeidsrechtbank stelt echter dat er in de eerste plaats een verblijfsrecht nodig is om in aanmerking te komen voor de materiële hulp in de zin van artikel 6, §1, eerste lid Opvangwet. Dit primeert op het feit dat er nog geen definitieve negatieve beslissing genomen werd. Deze redenering roept vragen op over een mogelijke interne tegenstrijdigheid in artikel 6 Opvangwet samen gelezen met artikel 1, 19° Verblijfswet.
Arbeidsrechtbank: geen recht op materiële hulp indien geen verblijfsrecht
Verzoekers, een gezin met Iraakse nationaliteit, dienden een tweede volgend verzoek voor internationale bescherming in. Het CGVS verklaarde dat verzoek onontvankelijk, waarna verzoekers beroep aantekenden bij de RvV. Dit beroep is niet schorsend, waardoor verzoekers een bevel om het grondgebied te verlaten ontvingen.
Verzoekers betogen dat er nog geen sprake is van een ‘definitieve negatieve beslissing’, waardoor hun recht op materiële hulp in de zin van artikel 6, §1, derde lid Opvangwet nog geen einde heeft. Dit artikel verwijst immers naar de definitie in artikel 1, § 1, 19° Vw, dat stelt dat een ‘definitieve negatieve beslissing’ betekent dat er geen rechtsmiddel meer openstaat, ongeacht of dit schorsend werkt of niet. Verzoekers hebben een niet-schorsend beroep ingediend bij de RvV tegen de beslissing tot onontvankelijkheid van het CGVS en dit beroep is nog hangend.
De arbeidsrechtbank bevestigt dat er inderdaad nog geen definitieve negatieve beslissing is genomen in de zin van artikel 1, § 1, 19° Vw, maar stelt dat ‘in de eerste plaats’ voldaan moet zijn aan de voorwaarde in artikel 6, § 1, eerste lid Opvangwet. Hieruit blijkt dat het voordeel van de materiële hulp slechts geldt voor een verzoeker om internationale bescherming voor zover hij toelating heeft tot verblijf. Zelfs wanneer er nog geen definitieve negatieve beslissing is in de zin van artikel 6, § 1, derde lid, zal er dus geen recht zijn op materiële hulp als er geen verblijfsrecht meer is. De verzoekers hebben niet langer toelating tot verblijf waardoor de arbeidsrechtbank oordeelt dat zij geen aanspraak meer kunnen maken op materiële hulp.
Primeert vereiste verblijfsrecht op artikel 6, §1, derde lid Opvangwet?
Artikel 6, §1, eerste lid Opvangwet stelt dat verzoekers om internationale bescherming van het voordeel van materiële hulp kunnen genieten voor zover zij toelating hebben om op het grondgebied te verblijven. In geval van een negatieve beslissing eindigt de materiële hulp op basis van het derde lid van dit artikel echter 30 dagen na de kennisgeving van de definitieve negatieve beslissing in de zin van artikel 1, §1, 19° van de Verblijfswet. Een definitieve negatieve beslissing verwijst hier bijgevolg naar een beslissing over het verzoek om internationale bescherming waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, ongeacht of dit schorsende werking heeft of niet. Hoewel er geen definitieve negatieve beslissing werd genomen in de zin van artikel 1, §1, 19° Vw, was de afwezigheid van een verblijfsrecht de doorslag voor de uitspraak.
Dat roept vragen op: waar het eerste lid van artikel 6, §1, eerste lid Opvangwet de voorwaarde stelt van een verblijfsrecht om van opvang te kunnen genieten, biedt het derde lid in geval van een negatieve beslissing het recht op opvang tot 30 dagen na de definitieve negatieve beslissing. De arbeidsrechtbank bevestigt ook dat er in principe aan de voorwaarden van het derde lid voldaan was in dit geval.
Vervolgens geeft de rechter hier voorrang aan de vereiste van het verblijfsrecht uit het eerste lid en werd de regel uit het derde lid niet toegepast. Hierdoor kent de rechter cumulatieve werking toe aan de bepalingen in het eerste en het derde lid, en kan het derde lid dus enkel van toepassing zijn wanneer ook aan het eerste lid voldaan is.
Het is echter niet duidelijk op basis waarvan de rechter tot deze conclusie komt. Het derde lid lijkt omwille van de bewoording ‘in het geval’ immers een specifieke uitzondering op het eerste lid te bevatten. Bovendien koos de wetgever voor een verwijzing naar de definitie van ‘definitief negatieve beslissing’ uit artikel 1, § 1, 19° Vw, dat ook niet-schorsende beroepen omvat en bijgevolg expliciet afwijkt van de vereiste van een verblijfsrecht in het eerste lid. Die regels lijken dus op gespannen voet te staan en er rijst onzekerheid over hoe het eerste en derde lid zich tot elkaar verhouden.