Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 47836/21 - 6-03-2025

Samenvatting

Op 6 maart 2025 oordeelde het EHRM dat België artikel 8 EVRM (het recht op eerbiediging van het privéleven) heeft geschonden, wegens het ontbreken van voldoende procedurele waarborgen bij de leeftijdsbepaling van een Guineese asielzoekster die zich als minderjarige had opgegeven. Het EHRM kent verzoekster 5.000 euro morele schadevergoeding toe.

Feiten: botscan uitgevoerd zonder vrije toestemming en zonder voorafgaand onderzoek naar minder ingrijpende alternatieven.

Op 5 augustus 2019 diende F.B. een asielaanvraag bij de Dienst vreemdelingenzaken (DVZ) in, uit vrees voor een gedwongen huwelijk in Guinee. Op basis van een niet-gelegaliseerde kopie van haar geboorteakte, verklaarde ze 16 jaar oud te zijn maar het Bureau MINTEH van DVZ betwijfelde dit. Op het formulier bestemd voor de Dienst Voogdij kruiste de ambtenaar van DVZ het vakje “JA” om aan te geven dat de betrokkene in kennis was gesteld van de gerezen twijfel en dat ze een informatiedocument heeft gekregen over de wijze waarop de leeftijdscontrole zou worden uitgevoerd. Op de vraag of de aanvrager een bezwaar had gemaakt tegen de uitvoering van de test werd het vakje “NEE” aangekruist. Verzoekster betwist dat zij op de hoogte werd gebracht van de bestaande twijfel en van de mogelijkheid om de test te weigeren. Op 19 augustus wordt op verzoek van de Dienst Voogdij een drievoudige botscan (van de pols, het gebit en het sleutelbeen) uitgevoerd bij het UZ Sint-Rafaël in Leuven. Uit de test bleek dat F.B. op de dag van het onderzoek 21,7 jaar oud was, met een standaardafwijking van twee jaar. Op 26 augustus werd zij verhoord door de Dienst Voogdij. Volgens verzoekster begreep zij pas op dat moment dat haar leeftijd in twijfel werd getrokken. Drie dagen later bezorgde zij het origineel van een vervangend vonnis van haar geboorteakte, waarop 15 januari 2003 als geboortedatum vermeld stond, aan de Dienst Voogdij. Op 11 september 2019 besloot de Dienst Voogdij dat F.B. meerderjarig was.

Op 10 maart 2020 weigerde de Raad van State om de meerderjarigheidsbeslissing te schorsen. Volgens de administratieve rechter had verzoekster geen bezwaar geuit tegen de uitvoering van de test, en was de Dienst Voogdij niet verplicht om advies in te winnen bij de maatschappelijk werkers of het personeel van het observatie- en oriëntatiecentrum. In mei 2023 verwierp de Raad van State het annulatieberoep wegens gebrek aan belang, aangezien verzoekster op basis van haar opgegeven geboortedatum intussen sowieso 18 jaar was geworden.

In oktober 2022 werd verzoekster erkend als vluchteling door het CGVS.

Voor het EHRM beweert de verzoekster dat België artikel 8 (recht op privéleven), 13 (recht op daadwerkelijk middelen) en 14 EVRM (discriminatieverbod) heeft geschonden.

Drie organisaties zijn in de procedure tussengekomen om kritische toelichting te geven bij de Belgische procedure voor leeftijdsbepaling: het Platform Kinderen op de Vlucht, de Ligue des droits humains en het Centrum voor de Sociale Studie van Migratie en Vluchtelingen (CESSMIR) van de UGent.

Schending artikel 8 EVRM: botscan zonder vrije toestemming en zonder onderzoek naar minder ingrijpende alternatieven

Het EHRM weigert zich uit te spreken over de minderjarigheid van verzoekster of over de betrouwbaarheid van botscans, waarover nog steeds veel discussie bestaat (§ 94). Het richt zich in plaats daarvan op het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de beslissing om haar zorg als alleenstaande minderjarige vreemdeling te beëindigen.

Verwijzend naar de zaak Darboe en Camara , benadrukt het EHRM het belang van procedures voor leeftijdsbepaling en het beginsel van het vermoeden van minderjarigheid dat van toepassing is op niet-begeleide migrantenkinderen die op Europees grondgebied aankomen. Als een minderjarige ten onrechte als volwassene wordt erkend, kunnen maatregelen worden genomen die een ernstige inbreuk vormen op zijn of haar rechten (§ 70).

Het EHRM onderzoekt of de procedure voor de leeftijdsbepaling van verzoekster, in concreto, met eerbiediging van haar belangen en rekening houdend met haar bijzondere kwetsbaarheid, was omgeven door passende en toereikende waarborgen, met name in de vorm van informatieverstrekking die haar in staat had kunnen stellen om haar belangen daadwerkelijk te beschermen in het kader van het besluitvormingsproces.

Ten eerste benadrukt het EHRM in dit verband het belang van vrije en geïnformeerde toestemming van patiënten voor medische handelingen, zoals ook benadrukt in een advies van de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren (§ 87, § 35). Het EHRM wijst erop dat het ontbreken van dergelijke toestemming een inbreuk kan vormen op de lichamelijke integriteit, waardoor de door artikel 8 EVRM beschermde rechten in het gedrang komen. Dit geldt des te meer in het geval van een tripel röntgenonderzoek — een medisch onderzoek met een zekere invasieve aard, uitgevoerd voor niet-medische doeleinden (§ 90).

Over de vermelding van het Bureau MINTEH van de DVZ op het formulier bestemd voor de Dienst Voogdij—waaruit zou blijken dat verzoekster geen bezwaar tegen de test had en een informatiefolder had ontvangen—merkt het EHRM op dat er geen handtekening van de betrokkene wordt vereist om de juistheid van die gegevens te bevestigen (§ 87). De verstrekking van correcte informatie is des te belangrijker omdat de vermeende NBMV op dat moment geen bijstand krijgt van een vertegenwoordiger of advocaat. Zelfs als verzoekster de informatiefolder daadwerkelijk zou hebben ontvangen (wat zij betwist), stelt het EHRM vast dat het document nergens vermeldt dat toestemming vereist is; het spreekt slechts over de mogelijkheid om “haar mening hierover te geven” en over de mogelijkheid om de uiteindelijke beslissing aan te vechten bij de Raad van State (§ 89).

Ten tweede herinnert het EHRM eraan dat, opdat een maatregel in een democratische samenleving als evenredig en noodzakelijk kan worden beschouwd, moet worden uitgesloten dat er een minder ingrijpende maatregel bestaat die hetzelfde doel kan bereiken met minder ernstige schade aan het betrokken grondrecht. In de context van leeftijdsbepaling benadrukt het EHRM dat een medisch onderzoek slechts als laatste middel mag worden toegepast, wanneer andere methoden om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen, geen afdoende resultaat hebben opgeleverd (§ 92). Het Belgisch recht lijkt tegenstrijdig met dat belangrijk principe. Artikel 7 van de Voogdijwet bepaalt uitdrukkelijk dat deze testen “onmiddellijk” moeten worden uitgevoerd als er twijfel bestaat over de leeftijd van de betrokken persoon.

Volgens het EHRM had een voorafgaand onderhoud met de Dienst Voogdij het mogelijk kunnen maken om enerzijds na te gaan of de twijfel over de minderjarigheid van verzoekster met andere, minder ingrijpende middelen kon worden weggenomen en anderzijds de deskundige ambtenaar in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat verzoekster alle benodigde informatie had ontvangen om haar rechten op correcte wijze te kunnen uitoefenen. In casu vond dat onderhoud met de gespecialiseerde ambtenaar pas plaats nadat de leeftijdstest was uitgevoerd.

Door deze twee tekortkomingen — het gebrek aan vrije en geïnformeerde toestemming en de onmiddellijke uitvoering van de botscans zonder dat deze als laatste middel werden ingezet — was de procedure voor leeftijdsbepaling niet omgeven door voldoende waarborgen in het licht van artikel 8 EVRM. Hiermee is artikel 8 EVRM geschonden.

Geen schending artikel 13 EVRM: daadwerkelijk rechtsmiddel in rechte en in praktijk

De verzoekster voerde aan dat de betrokken rechtsmiddelen niet doeltreffend waren vanwege de vermeende beperkte reikwijdte van het door de Raad van State uitgeoefende toezicht.

Het EHRM heeft in eerdere Belgische arresten echter al geoordeeld dat dit toezicht a priori voldoet aan de vereisten van artikel 6 EVRM en daarmee ook aan die van artikel 13 EVRM. Volgens het EHRM is het enkele feit dat de Raad van State een wettigheidstoets uitvoert op zich niet in strijd met deze bepalingen. In casu merkt het EHRM op dat verzoekster een opschortingsvordering kon instellen die, indien toegewezen, had kunnen leiden tot opschorting van de gevolgen van de door haar bestreden meerderjarigheidsbeslissing van de Dienst Voogdij.

Twee andere grieven aangevoerd op grond van artikel 13 EVRM zijn onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid: het eerste over het ontbreken van schorsende werking van de bij de Raad van State ingestelde beroepen en het tweede over de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring wegens verlies van belang . De bewering van de verzoekster is op dat vlak onontvankelijk verklaard. Artikel 13 EVRM is dus niet geschonden.

Meer info