Samenvatting
De familieleden die nog in Gaza zijn -ouders, minderjarige broertje, minderjarig zusje- deden eind december 2023 vanop afstand een aanvraag voor een humanitair visum door middel van een email naar het Consulaat-Generaal in Jerusalem. Het Consulaat-Generaal weigerde de aanvraag en verwees naar de website van DVZ, die deze manier van indiening enkel toelaat in het kader van gezinshereniging. Bij de REA Brussel (2 februari 2024, nr. 2023/323/C) kregen de verzoekers -de Palestijnse familieleden- gelijk en worden ze vrijgesteld om in eerste instantie in persoon te verschijnen. België moest de visumaanvraag registreren en dat werd dan ook gedaan op 13 februari 2024. Echter werd de aanvraag niet behandeld. De Belgische staat ging in beroep tegen dit vonnis. Het Hof van Beroep deed in deze zaak uitspraak op 30 december 2024.
De Belgische staat betoogt dat de persoonlijke verschijning belangrijk is om de aanvragers te kunnen identificeren, om de veiligheid te kunnen garanderen en om organisatorische redenen. Er moeten namelijk vingerafdrukken worden genomen, gekeken worden of de persoon gesignaleerd is in het Schengeninformatiesysteem (SIS), eventueel moet er een DNA-test worden afgenomen... Wat betreft de administratieve praktijk, heeft de uitvoerende macht (hier DVZ) een zekere appreciatiemarge. Het is niet de bedoeling dat de rechterlijke macht zich hierin gaat mengen.
Het Hof gaat eerst de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in deze zaak na, hetgeen werd betwist door de Belgische staat. Het stelt vast dat de rechterlijke orde bevoegd is om subjectieve rechten te behandelen en verzoeken te eerbiedigen. Dit is niet hetzelfde als het afgeven van visa, dat uiteraard tot de bevoegdheid van de uitvoerende macht (DVZ) behoort. Het Hof is dus bevoegd om zich uit te spreken in deze zaak. De Palestijnse familieleden in Gaza roepen de bescherming in van artikels 8,3 en 2 van het EVRM. Vooraleer hierop geantwoord kan worden, wordt de vraag gesteld of zij wel de bescherming van de rechten en vrijheden uit het EVRM kunnen inroepen, omdat dit enkel kan als je onder de rechtsmacht van een van de Verdragspartijen valt. In eerste instantie oordeelt het Hof van Beroep van niet, omdat er wordt uitgegaan van een strikte interpretatie van het territorialiteitsbeginsel. Verweerders kunnen zich evenmin op de Afrin-rechtspraak van het HvJ van 18 april 2023 beroepen, omdat ze geen visum voor gezinshereniging aanvragen maar een zuiver humanitair visum.
Maar uit rechtspraak van het EHRM (9 juli 2021, M.A. v. Denemarken) over artikel 8 EVRM, leidt het Hof van Beroep twee zaken af.
• Vooreerst moeten Verdragsstaten aanvragen voor een humanitair visum soepel, snel en efficiënt behandelen wanneer de aanvrager een familielid (ascendent, broer, zus..) is van een erkend vluchteling in de Verdragsstaat in kwestie. De reden hiervoor is om het fundamentele rechten van een erkend vluchteling-de eenheid van het gezin en hereniging met naaste familieleden-te waarborgen.
• Ten tweede moeten de nationale autoriteiten de manieren om een visumaanvraag in te dienen aanpassen aan de realiteit in Gaza, met name: het klimaat van geweld dat er heerst, de totale afwezigheid van Belgische diplomatie en de onmogelijkheid voor heel veel Gazanen om een visumaanvraag in te dienen volgens de gebruikelijke weg.
Als we deze rechtspraak van het EHRM toepassen in deze zaak, moet België volgens het HvB de noodzakelijke stappen zetten zodat de Palestijnse familieleden in Gaza op een toegankelijke manier een visumaanvraag kunnen indienen.
Het Hof van Beroep van Brussel besluit dan ook dat enkel de Belgische staat (hier: DVZ) bevoegd is om concrete en adequate procedures te ontwerpen zodat verwerende partijen (de Palestijnse familieleden) hun aanvraag voor een humanitair visum kunnen indienen zonder persoonlijke verschijning in eerste instantie. Deze procedures moeten, ter bescherming van het fundamenteel recht op een gezinsleven (art.8 EVRM), soepel, snel en effectief zijn.)