Samenvatting
Deze bepalingen van de wet van 15 december 1980, die aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bevoegdheid verlenen om, in het kader van een administratieve summiere procedure en onder de voorwaarden voorzien in artikel 39/82, § 2, eerste lid, de opschorting te bevelen van de uitvoering van individuele beslissingen die hij nietig kan verklaren en, voorlopig alle maatregelen die nodig zijn ter vrijwaring van de belangen van partijen of van personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, wijken niet af van de bevoegdheid die de rechterlijke instanties ontlenen aan de artikelen 144 en 145 van de Grondwet om kennis te nemen van geschillen over subjectieve burgerlijke en, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, politieke rechten.
Krachtens artikel 159 van de Grondwet hebben de contentieuze rechtbanken de bevoegdheid en de plicht om de interne wettigheid en de externe wettigheid te controleren van elke administratieve handeling waarop een verzoek, een verweer of een exceptie is gebaseerd.
Dit is het geval voor een rechtbank die een vordering behandelt die tot doel heeft een onrechtmatige inbreuk op een subjectief recht door de administratieve overheid bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid te voorkomen of te verhelpen, zelfs als de overheid heeft gehandeld in toepassing van de wet van 15 december 1980.
In het arrest werd vastgesteld dat verweerder, aan wie het door hem voor studiedoeleinden aangevraagde visum was geweigerd en die tegen deze weigering een beroep tot opschorting en nietigverklaring had ingesteld dat nog steeds hangende was bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de rechter in kort geding verzocht verzoeker te gelasten een nieuwe beslissing te nemen over zijn visumaanvraag; daarin werd gesteld dat de bevoegdheid tot afgifte van visa voor studiedoeleinden die aan verzoeker was verleend bij artikel 58 van de wet van 15 december 1980, in de op het geding toepasselijke versie, op het eerste gezicht niet volledig met elkaar in verband stond en dat noch het grondrecht op onderwijs en opvoeding dat verweerder krachtens artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie genoot, noch andere grondrechten en bepalingen hem een subjectief recht op een visum en een verblijf voor studiedoeleinden verleenden.
Het oordeelde evenwel dat, op het eerste gezicht, aangezien de “motiveringsplicht” die voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 “de eerbiediging van het in artikel 14 van het Handvest neergelegde grondrecht op onderwijs” waarborgt, het ontbreken van een passende motivering voor de weigering van het visum, zoals dat blijkt uit de in het derde onderdeel van het middel tevergeefs bekritiseerde gronden, dit grondrecht van de verwerende partij heeft geschonden en dat de weigering van het visum derhalve onwettig was.
Op basis van deze verklaringen is in het arrest rechtmatig geoordeeld dat “het ”werkelijke voorwerp“ [van het verzoekschrift van de verwerende partij] erin bestaat de bescherming van dit geschonden recht op onderzoek te verkrijgen”.
Voorts heeft het geoordeeld dat op het eerste gezicht "verweerder volgens [het] in januari 2021 verkregen bewijs [van toelating tot de studie] vóór 1 oktober 2021 in Frankrijk had moeten aankomen om te kunnen aantonen dat de door de onderwijsinstelling vereiste formaliteiten waren vervuld; [dat] hij op 6 juli 2021 in kennis is gesteld van de weigering [van het visum], [dat] er dus noodzakelijkerwijs sprake was van spoedeisendheid om hem in staat te stellen deze weigering aan te vechten ; [dat] het rechtsmiddel van schorsing van uiterste spoedeisendheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen [niet] voor hem openstond [en dat] uit geen enkele door [verzoeker] overgelegde beslissing blijkt dat [verweerder], die deze mogelijkheid betwist, van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een eventuele beslissing tot nietigverklaring van het visum wegens kennelijke onwettigheid had kunnen verkrijgen binnen een termijn die hem in staat zou hebben gesteld [tijdig] het land binnen te komen".
Met deze uitspraken erkent het vonnis rechtens de spoedeisendheid vereist door artikel 584 van het Wetboek van Gerechtelijke Rechtsvordering.
Daarin staat dat de voorzieningenrechter, “op grond van artikel 159 van de Grondwet gehouden te weigeren uitvoering te geven aan de weigering van het onwettige visum”, “na vernietiging van een kennelijk onwettige weigering [verzoeker] kan gelasten een nieuwe, naar behoren gemotiveerde beslissing te nemen, dat wil zeggen een beslissing die een daadwerkelijke en niet-arbitraire uitoefening [...] van zijn discretionaire bevoegdheid rechtvaardigt, teneinde het fundamentele burgerrecht van [verweerder] op een eerlijk proces te waarborgen”.
Op basis van al deze verklaringen heeft het vonnis, zonder inbreuk te maken op bovengenoemde wettelijke bepalingen of het algemene rechtsbeginsel van de scheiding der machten te miskennen, rechtmatig besloten verzoeker te gelasten de visumaanvraag van verweerder opnieuw te beoordelen.